Jan-Siebelink-header-2
Interview

Interview met Jan Siebelink over Jas van belofte en zijn eigen relatie met zijn moeder: “Ik zou geen andere jeugd of andere ouders willen hebben gehad”

21-3-2019

Mijn vader, Jan Siebelink, spreekt over zijn moeder, mijn oma. Het is alsof ze er een beetje bij is. Ik kijk plotseling weer met de ogen van mijn eigen zesjarige zelf en zie hoe mijn vader haar optilt in haar huis in Velp en ronddraait in de kamer. De aanleiding weet ik niet. Misschien was die er wel helemaal niet. Mijn vader heeft geen aanleiding nodig om soms vrolijk te zijn en soms neerslachtig. De buien wisselen elkaar af als seizoenen.

Ik ben 44, papa is 81. Oma zou 113 zijn geworden dit jaar. Ik was erbij toen ze overleed. Ik was buiten rondjes aan het rennen in de schemer. Even keek ik door het raam, waar haar drie zonen om haar bed heen zaten. Hun hoofd in hun handen, kort daarna hun armen om elkaar. Ik mis haar plotseling verschrikkelijk, al heb ik haar maar kort mogen kennen. Opa overleed nog voordat ik werd geboren, maar dankzij de verhalen in de boeken zullen ze altijd blijven bestaan. Ze hebben een plek in de literatuur gekregen.

Het verhaal begint bij de TIA die Arthur, de hoofdpersoon, krijgt en die jijzelf twee jaar geleden hebt gehad. Hoe voel je je?
“Ik voel me nu helemaal gezond. Alsof ik die TIA niet heb gehad. Ik wilde naar buiten gaan met Sarah, ons hondje. De binnenkant van mijn arm begon te tintelen. Ik voelde dat er iets mis was. Ik heb de buurman nog geroepen, maar met al die dubbele beglazing had dat natuurlijk geen zin. Met mijn mobiel in mijn linkerhand probeerde ik met onvaste vingers 112 te bellen. Hulp inroepen vond ik eng.”

Wat vond je daar eng aan?
“Zou het wel lukken? Wat gebeurt er dan? Wat gebeurt er eigenlijk met mij? Door die onvaste hand belde ik per ongeluk 113. Het nummer dat je belt wanneer je zelfmoord wilt plegen. Het zelfmoordpreventienummer. Ik zei dat het niet goed ging, dat ik mijn been niet meer kon bewegen. Dat ik het verkeerde nummer had gebeld. Ik werd doorverbonden met 112 en die mevrouw bleef voortdurend dezelfde vragen stellen: bent u bereikbaar, hoe heet u, wat is uw geboortedatum. Ze hield me aan de praat. En ineens lag ik op een brancard.”

"De ambulance staat half op het trottoir geparkeerd, met de deuren wijd open, voor de zwarte Maserati, waarin zich de dichte taxushaag weerspiegelt die het huis omsluit. Op de rand van de dakgoot zitten twee eksters. Hun veren glanzen metalig blauw. Ze kijken naar beneden, naar het gele dak van de ambulance."

Fragment uit Jas van Belofte van Jan Siebelink

Heeft het je veranderd?
“Het heeft me behoedzamer gemaakt; het kan toch zomaar gebeuren. Over een uur, over een paar dagen. Als ik met Sarah ga lopen, let ik heel bewust op waar ik ben zodat ik de locatie kan doorgeven wanneer er iets gebeurt. Maar dat verdwijnt ook wel weer een beetje. Omdat ik me goed voel. Waarom zou het niet nog jaren goed kunnen gaan? Het heeft er ook voor gezorgd dat ik relativerender naar de dingen kijk. Als ze mijn Boekenweekgeschenk bijvoorbeeld nu heel kritisch zouden benaderen, vind ik dat ook prima. Het raakt me minder.”

Wat zou je het meest missen van het leven?
“Het gewone leven. Dat ik hier zo met jou zit te praten, de kleinkinderen zie. Dat ik kan ruiken en voelen en woorden kan gebruiken. Dat ik naar de hemel kan kijken als ik wandel en naar de regen kan luisteren als ik bed lig. Ik houd van de regen. Het zijn. Dat zou ik missen.”

"Patiënt – man, negenenzeventig, verlammingsverschijnselen aan linkerzijde –, zoals de ambulancebroeder op het formulier had ingevuld, in de ochtend om elf uur binnengebracht op Spoedeisende Hulp, blaast in kamer 8 zijn laatste adem uit."

Fragment uit Jas van Belofte van Jan Siebelink

In tegenstelling tot de hoofdpersoon overleef jij het wel. Geeft dit schrijven over zijn dood jou een onoverwinnelijk gevoel?
“Mijn eigen dood kan ik me helemaal niet voorstellen, maar de schrijver Arthur overlijdt. Misschien is het inderdaad een soort van bezwering. Zijn vader verdwijnt uit zijn leven wanneer hij elf jaar is. Alleen zijn jas blijft achter, die door Arthur wordt gevonden. De vader geeft zich over aan het onvoorstelbare, hij wordt opgenomen in de hemel. Aan het eind van het verhaal vindt Caroline, de vrouw die een soort substituut dochter wordt voor Arthur en zijn vrouw, de jas van Arthur wanneer deze is overleden in het ziekenhuis. De jas heeft de belofte dat ze elkaar alle drie weer zullen ontmoeten na de dood. Net zoals ik hoop dat ik mijn ouders weer zal tegenkomen. Het lichaam is maar een omhulsel.”

Als een jas.
“Ja, als een jas. Heel mooi. Tot aan zijn dood is iedereen bezig met zich mooi te maken. Omdat we denken dat dit alles is wat we hebben. Generaties voor ons waren daar niet of veel minder mee bezig. Omdat men geest en lichaam los van elkaar zag.”

Hoe kwam je op die vergelijking, de jas als metafoor?
“Een jas heeft ook iets verhullends. Het verhult je lichaam, je kunt erin wegduiken, een jas beschermt. Wanneer je hem uittrekt, stel je je open voor anderen. Ik weet niet ook hoe ik op die vergelijking kwam. Ik begon te schrijven over die TIA en toen kwam het verhaal op gang. Dat is voor mij een manier om de hoofdpersoon herinneringen op te kunnen laten halen. Het is een fijne manier van vertellen.”

Hij vroeg hoe die schrijver heette. Lisette dacht na. Een wat vreemde naam. Hij was als baby te vondeling gelegd en woonde en werkte in een café aan het Spui. ‘Loet IJzertje. Zo heet hij. Edwin meende enige verwantschap tussen jullie werk te bespeuren. Ook zijn werk gaat over de kleine man, die sappelt en ploetert en de verkeerde keuzes maakt.’

Fragment uit Jas van Belofte van Jan Siebelink

Je speelt een spel met namen in het boek. Een spel met de werkelijkheid. De kat heet Pom. Pommetje, zo heette jullie kat vroeger. Dus die is ‘echt’. Maar Loet IJzertje is in werkelijkheid de schrijver Louis Ferron. Edwin Wopereis is Rein Bloem, die net als Edwin in de Bestevâerstraat in Amsterdam-West woonde. Café De Zwart is in het verhaal Het Wapen van Zwart en tevens gelegen op de hoek van de Spuistraat en een smalle, donkere steeg.
“En weet je wie Wopereis was in het echt? Een erg vervelende man van wie ons eerste huis kochten in Ede, aan de Cortenaerstraat. Toen we gingen verhuizen, bleek hij alle stekkerdozen te hebben verwijderd. Allemaal! Tot in het schuurtje in de tuin. Er was geen elektriciteit.”

Maar waarom associeer je zo’n man met een goede oude vriend, die Rein Bloem immers was?
“Omdat Wopereis een bijzondere naam is. Rein is heel belangrijk voor mij geweest, maar hij was niet zonder jaloezie. Ik kwam een keer bij hem op bezoek en vertelde over een gesprek dat ik had gehad met Louis Ferron. Hij werd me toch kwaad… ‘Je bent net binnen en het gaat over Ferron. Je bent hier!’ Ten overstaan ook van het andere bezoek dat aanwezig was. Het was een woesteling. En hij kon in bulderend, uitzinnig, waanzinnig gelach uitbarsten, om niets. De auteur Arthur is onzeker, een beginnend schrijver. Hij heeft Edwin nodig. Edwin wil hem helpen, maar Edwin wil hem te veel helpen. Pas als Loet IJzertje in zijn leven komt, heeft Arthur het gevoel dat hij intuïtief begrepen wordt. Dat die het verhaal dat Arthur in zich draagt, werkelijk begrijpt en niet op woord- of zinniveau meedenkt, zoals Edwin. Maar uiteindelijk heeft Arthur beide mannen nodig om zijn verhaal te kunnen schrijven.”

Over dat spel met verbeelding versus werkelijkheid: raak je daar nooit in verstrikt? Dat je het zo romantiseert dat je jezelf vrijstelt van de normen die in de werkelijkheid gelden?
“Ik denk dat de literatuur er niet voor is bestemd om het werkelijke leven te beschrijven, maar het mogelijke leven. Dingen die ik niet echt heb beleefd, maar wel had willen beleven, kan ik in een boek kwijt. Sommige dingen zijn in werkelijkheid natuurlijk ondenkbaar.”

Het boek opent met de quote “De liefde de vriendschap heet”. Hoe interpreteer je dit citaat?
“Dat de vriendschap tussen Loetje en Arthur, en daarmee die van mij met Louis Ferron, alle kenmerken van de liefde heeft. Ze zijn gek op elkaar, ze zijn genereus, edelmoedig, ze denken over elkaars werk na, er is geen jaloezie, ze zijn blij voor elkaar, ze steunen elkaar. Het is overigens geen homo-erotische relatie, wat sommigen denken. Rein was de grote intellectueel, groot kenner van hermetische, onbegrijpelijke, obscure poëzie. Ik had veel bewondering voor hem, maar dat kalfde af. Ik ben daarin misschien ook wel egoïstisch geweest; ik had hem niet meer nodig. Maar de bewondering is er nog altijd.”

Tussen alle boeken die je hebt geschreven, viel me op dat er één biografie tussenstaat over een vrouw: Margaretha van Parma. Wat trok je aan in haar?
“Margaretha was een Italiaanse prinses die vele malen is uitgehuwelijkt, al op haar vierde, en een liefdevolle verhouding met Willem van Oranje had. Ze was een vrouw die zich staande moest houden te midden van mannen. Ik had het gevoel dat ik haar begreep. Ze was niet hardvochtig, maar een gematigd iemand. Ze was heel vrouwelijk, al kreeg ze later beharing op haar gezicht. En de periode waarin ze leeft, vind ik interessant.”

“Ik voel me thuis in die tijd. De fiacres, het gaslicht op de boulevards, de literaire salons.” Zo schrijf je in Jas van Belofte. Had jij zelf graag in die tijd geleefd?
“Ja, zeker. De tijd van decadentie, van 1890 tot 1900. La Belle Époque. Parijs was één groot bordeel. Het impressionisme was vernieuwend.”

Maar het was geen makkelijke tijd om vrouw te zijn.
“Enkele vrouwen staken er wel degelijk bovenuit, zoals Berthe Morisot, schilderes, die zich als eerste vrouw aansloot bij de impressionisten. Rachilde, schrijfster, maar mannenkleren droeg en schrijver genoemd wilde worden. En Colette natuurlijk. Zo zijn er meer. Het was een mannenwereld en de vrouw telde toch vooral mee vanwege haar uiterlijk.”

Zou je je in die tijd meer begrepen hebben gevoeld?
“Ik word nog steeds weleens belachelijk gemaakt. Onlangs nog kreeg ik een lint toegestuurd. Iemand had het meegenomen van het Boekenbal vorig jaar. Je mag de decoratie aan het einde van het feest meenemen, zoals je weet. Er stond op: ‘Jan Siebelink, de grote held van het zweetdoekendecadentie van de Veluwe’. Een verwijzing naar de zweetdoek van Jezus. Ik heb ook periode in een lange, witte bontjas rondgelopen.”

Het thema De Moeder, De Vrouw heeft behoorlijk wat stof doen opwaaien. Had je dat verwacht?
“Ik had gedacht dat een vrouw het essay zou mogen schrijven. Ieder jaar gelijk verdeeld. Mensen vragen me weleens of ik heb overwogen de opdracht terug te geven toen bekend werd gemaakt dat een man was gekozen voor het essay. Maar dat kon helemaal niet, ik had het manuscript al ingeleverd. Ik hoorde overigens pas later wat het thema was. Als schrijver van het geschenk ben je niet aan het thema gebonden.”

Wat was jouw eerste associatie met het thema?
“Ik vond het een goede keuze, en ik vond het ook mooi dat men een dichtregel van voor de oorlog had genomen zodat we weer eens weten dat er toen ook prachtig werd geschreven. In ‘De moeder de vrouw’ is helemaal geen man aanwezig. Misschien ligt de schipper wel dronken in het ruim. De vrouw staat aan het roer in het gedicht van Nijhoff. Ze is hartstikke stoer.”

Jouw moeder, mijn oma, was geëmancipeerd op haar manier. Ze regelde alles, zorgde dat de huur betaald werd. Hield het gezin bij elkaar tussen vier mannen, opa en drie zonen. Ook toen opa weggleed in het geloof.
“Oh, ze was heel flink en strijdbaar. Ze liet zich niet de kaas van het brood eten en kon fel van toon zijn. In de tijd dat iedereen aan de kruisrakettendemonstratie meedeed, hing zij een affiche voor het raam. Opa was al overleden. Ik kwam even langs en zag die affiche en vroeg natuurlijk waarom. ‘Nou, ik ben tegen die demonstratie. Ik ben voor tweezijdige ontwapening. Dus niet “wij gaan ontwapenen, hier in het westen”, nee, de Russen moeten ook ontwapenen, want die zijn niet te vertrouwen. Als alleen wij dat doen, zijn we veel te kwetsbaar.’ Ze kwam op voor zichzelf, maar hield ook veel van opa. Ze was trots op het landje, op de kwekerij, maar kon geen hulp vragen. Er waren geen instanties waar ze terecht kon met haar problemen en die van haar man. De armoede moest verborgen blijven."

Wat heb je van oma geleerd als zoon?
“Het vechten voor jezelf. Het voor jezelf opkomen. Niet over je heen laten lopen. Mijn drift heeft te maken met machteloosheid.”

Terwijl je zo sterk met woorden bent.
“Als de schoffering zo ernstig is, als het zo neerbuigend is, dan kan ik niet meer praten. Dat heeft natuurlijk met mijn jeugd te maken, met een vader die geschoffeerd werd en daar niet tegen in verweer kwam. Mijn vader was niet slap, hij kon wel boos worden, maar hij was meer naar binnen gekeerd.”

Heb je meer van haar geleerd dan van opa?
“Ja. Van opa heb ik het gevoel voor mystiek meegekregen en het ploeteren. Het doorgaan. De hele dag vanaf vijf uur in de ochtend naar de kwekerij terwijl er geen klant kwam. Maar er waren ook mooie momenten, als er ineens zes klanten tegelijk waren. Ik was dan zo blij. Weet je, ik zou geen andere jeugd of andere ouders willen hebben gehad.”

Wat hoop jij op jouw beurt als vader op ons over te brengen?
“Volharding en weerbaar zijn voor tegenslagen. Omdat niets vanzelf gaat. Hoe hard ik ook had gestudeerd, ik bleef dat ‘leraartje’ uit de provincie. Dat jullie je aan de normen vasthouden die je van thuis hebt meegekregen, goede vrienden hebt. En ik hoop dat jullie me zullen missen als ik er niet meer ben.”

‘Dat lukt je niet. Dat lukte alleen je vader. Ik begrijp je wel. Jij zoekt net als hij het onthevene. Ik zei het straks. Die jas is een jas van belofte. Je wilt de vondst van die jas en het wonder beleven. Jij wilt een geroepene als de vader zijn. Jij wilt meer dan het boek. Je wilt God zelf zijn en macht over leven en dood hebben. Arthur, je moet wel het verhaal schrijven. Beloof me dat. Via dat prachtige boek van jou kun je bij iets anders komen.’

Fragment uit Jas van Belofte van Jan Siebelink

Is dat gelukt – die laatste zin uit bovenstaand fragment? Ben je bij iets anders gekomen?
“Dat moet je aan Arthur vragen.”

Maar ik interview jou, of zit Arthur tegenover me?

“In de gesprekken nu met jou en andere journalisten heb – bijna allemaal vrouwen trouwens – gaat het toch ook vaak over het einde. Dat mijn toekomst dichterbij ligt dan die van jou. Jij hebt nog meer tijd, menselijkerwijs gesproken. Het hele boek dat in Arthurs hoofd zit, is aardig gelukt zou je kunnen zeggen. Maar eigenlijk is het hele verhaal, Jas van Belofte, een echo van Knielen op een bed violen. Het gaat over het inlossen van een belofte. Over schrijverschap.”

Ben jij via Knielen op een bed violen bij iets anders gekomen?
“Ik heb iets gedaan wat nog niet eerder is gedaan. Ik heb iets aangeraakt dat bij velen een snaar raakt. Iedereen kent het boek. Ik heb mensen getroost, het boek wordt meegegeven op begrafenissen. Er zijn ook mensen die het niet durven lezen, maar ook in dat geval heb ik iets teweeggebracht. Het feit dat ik hier nu met jou zit te praten, is op dit moment het mooiste dat het me heeft gebracht. De vragen die je stelt. Dat raakt mij diep.”

Jan-Siebelink-header-2

Over de Boekenweek

De Boekenweek is het welbekende jaarlijkse feest in de boekhandel en bibliotheek rondom het literaire, Nederlandstalige boek. De 84ste editie van de Boekenweek vindt plaats van zaterdag 23 maart tot en met zondag 31 maart en heeft als thema De moeder de vrouw. Het thema van de Boekenweek 2019 is ontleend aan het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder de vrouw’. Tevens is het Boekenweekthema een verwijzing naar de bundel De moeder de vrouw, met daarin twee romans (Ontaarde moeders en Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor) over moederschap van de onlangs overleden Renate Dorrestein.