Interview

Interview met Dannie ten Zweege: Neem mijn jeugd, die stierf vandaag

6-9-2018
Dannie Ten Zweege Header

Kunstenaars in de frontlinie van de Eerste Wereldoorlog. Dannie ten Zweege richt in Neem mijn jeugd, die stierf vandaag voor meer dan honderd mannen en een enkele vrouw een monument op. Ze reconstrueert het wel en wee van Europese kunstenaars-soldaten: van Rik Wouters en Alain Fournier tot Edmund Blunden, van Rupert Brooke en August Macke tot Joe English. Bekende beeldend kunstenaars en schrijvers, maar ook vele jonge mannen die nog maar aan het begin van hun kunstenaarscarrière stonden, haalt ze uit de vergetelheid. We maken kennis met hun werk en voelen de voortdurende spijt over zoveel talent, in de knop gebroken. Janneke Siebelink, hoofdredacteur van Lees Magazine sprak haar over de totstandkoming van het boek.

Neem mijn jeugd, die stierf vandaag toont een breed panorama van de kunstscene in Europa eind 19de, begin 20ste eeuw: van muziek tot beeldende kunst en literatuur. Een andere kijk op de Eerste Wereldoorlog, een verrassende kennismaking met zoveel onbekende kunst.

28 juli 1914. De wereldbrand breekt uit. Duizenden jonge mannen worden opgeroepen om te gaan vechten, nog eens duizenden melden zich vrijwillig. Met goede moed en vol van heroïsche gedachten komen ze terecht in modderige, ijskoude loopgraven, bevolkt door ratten en vlooien. Als 'kanonnenvlees' sneuvelen ze een roemloze, zinloze dood. Hun namen vinden we op witte kruisen, ritmisch gerangschikt op de oorlogsbegraafplaatsen in de Westhoek van Vlaanderen en het Noorden van Frankrijk.

Letter 2

(Op de tweede dag van de aanval bij Loos sneuvelde John Kipling, de zoon van de schrijver Rudyard Kipling. Hij was op 17 augustus net achttien geworden. Vader Rudyard Kipling werd na de vermissing van zijn zoon een andere man: hij was niet langer enthousiast over de oorlog, maar werd daarentegen zeer kritisch.)

Vanwaar uw interesse in dit onderwerp?

Al bijna mijn leven lang heb ik een fascinatie voor de cultuurhistorische aspecten van de dood. Daarnaast was ik erg geboeid door de schrijver Alain-Fournier en zijn enige roman Le Grand Meaulnes en heb ook lezingen over hem en zijn boek gegeven. Fournier sneuvelde in het begin van de Eerste Wereldoorlog en zo raakte ik geïnteresseerd in deze oorlog. Mijn eerste vraag was destijds hoe mensen deze ellende hebben kunnen overleven. Hoe leef je verder met je verdriet en rouw en hoe geef je daar vorm aan? En dan kom je al gauw bij kunstenaars uit die erover schreven, composities maakten of schilderijen en beelden. Ik heb geen persoonlijk binding met WO1, nee.

Waar begon u met uw research?

Naarmate ik me meer verdiepte in die oorlog, kwam de wens boven om daar een lezing over te ontwikkelen. Dat zijn er uiteindelijk vier geworden: een algemene inleiding, en drie over literatuur, beeldende kunst en muziek. Na afloop had ik een groot databestand met diverse gegevens over tal van kunstenaars. Toen kwam het idee op om deze gegevens in een boek te verwerken, waarbij juist ook de begraafplaatsen waar kunstenaars begraven lagen belangrijk werden.

Treurende Ouderpaar

Heeft u nieuwe aspecten van de oorlog leren kennen, heeft u onverwachte ontdekkingen gedaan?

Ik ben de periode 1900-1920 (ruim genomen) steeds interessanter gaan vinden. De politieke ontwikkelingen natuurlijk die uiteindelijk tot deze oorlog leidden. Maar daarnaast de maatschappelijke, culturele en wetenschappelijke veranderingen die plaatsvonden. Het armoedevraagstuk dat eindelijk op de politieke agenda werd gezet, de opkomst van het socialisme, het feminisme. De nieuwe uitingsvormen die kunstenaars zochten en vonden in de muziek, de beeldende kunst, de literatuur. De grote ontdekkingen en uitvindingen zoals de telefoon, de verbrandingsmotor, het vliegtuig, de röntgenstralen. Het is, met alle ellende die er was, ook een ongelooflijk boeiende periode geweest.

Daarnaast werd ik door mijn onderzoek naar de verschillende aspecten van de oorlog ook geconfronteerd met de meest gruwelijke verwondingen, waar je doorgaans toch een beetje aan voorbijgaat. Je leest er vaak overheen en laat de ernst ervan vaak niet helemaal tot je doordringen. Dat lukte niet meer. De studie van Leo van Bergen, Zacht en eervol, lijden en sterven in de Grote Oorlog, heeft daar ook aan bijgedragen. Hij beschrijft ook de meedogenloosheid van de legerleidingen. Alles en iedereen werd in verregaande mate ondergeschikt gemaakt aan het doel: de oorlog winnen. Een mens telde absoluut niet, en dat gold al helemaal voor de gewone soldaat.

Wat heeft u persoonlijk het meest geraakt in de verhalen?

In de tentoonstellingscatalogus Sterne fallen staan zo’n zeshonderd namen van gesneuvelde beeldend kunstenaars, de meesten tussen de 20 en 25 jaar oud. Toen ik die een voor een afging, werd ik na verloop van tijd wel heel somber. Die heel jonge kunstenaars hadden nauwelijks al een verhaal, een geschiedenis. Al die jonge levens, die zonder meer opgeofferd werden. Wat een minachting voor een mensenleven. En vergeet niet die kring om iedere gesneuvelde: familie, vrienden, geliefden, die in diepe rouw gedompeld werden en met het verlies verder moesten. Daarnaast waren er tal van overlevende soldaten die na de oorlog nooit meer goed hebben kunnen aarden in het gewone leven.

En zo eindigde het eerste jaar van een oorlog die voor de kerst al afgelopen zou zijn. Alle legers hadden zich ingegraven, de kerstbestanden hadden misschien een aantal soldaten de idiotie van deze oorlog doen beseffen, maar de strijd zou doorgaan. Het werd een eindeloze herhaling van zetten met kou, regen, modder, en steeds maar weer die (half)mislukte offensieven.

Fragment uit Neem mijn jeugd, die stierf vandaag

Hoe heeft u zich ingeleefd in de leefomstandigheden van de hoofdpersonen in uw boek, de verschrikkelijke omstandigheden?

Ik beschik over een redelijk goed voorstellingsvermogen. Heb er veel over gelezen en daarnaast bekeek ik films en documentaires, heb ik de diverse slagvelden en begraafplaatsen bezocht, evenals een aantal musea.

Kunt u zich een voorstelling maken van hoe u zelf zou hebben gereageerd?

Nee, volstrekt niet. Je weet van tevoren nooit hoe je in extreme situaties zult reageren.

Waar verwijst de titel naar?

Het is een dichtregel van een dichter die in 1916 aan de Somme sneuvelde.

Bij Fleury Devant Douaumont Le Lion

“Ik heb de oorlog als het ware door de biografieën geweven en niet andersom”, zo schrijft u in uw voorwoord. Hoe kreeg u toegang tot deze biografieën?

Door heel veel dagboeken en (auto)biografieën te lezen. Vaak alleen nog te koop in buitenlandse antiquariaten. Daarnaast is internet natuurlijk een rijke bron.

Kunt u zich een voorstelling maken van hoe u zelf zou hebben gereageerd?

Er zijn er eigenlijk zo veel. De Britse dichter en componist Ivor Gurney bijvoorbeeld die dacht dat meedoen aan die oorlog misschien zijn psychisch lijden (hij leed aan wat we nu een bipolaire stoornis noemen) zou verminderen. Hij overleefde de oorlog maar heeft de rest van zijn leven grotendeels in een psychiatrische instelling doorgebracht. En André Devaere, een Belg, die een zeer begenadigd pianist en componist was voor wie een grote toekomst was weggelegd. Hij sneuvelde in november 1914 aan de IJzer.

Wat verbindt de verhalen in uw boek?

De meeste soldaten (zowel de gewone soldaten als ook de officieren) gingen doorgaans vol goede moed naar het front, maar vrijwel iedereen, een paar uitzonderingen daargelaten, raakte al na een paar manden gedesillusioneerd.

Heel wat kunstenaars werden gewoon als soldaat naar het front gestuurd. Velen overleefden het niet. Een groot aantal was nog te jong om al naam te hebben gemaakt. Kunstenaars als Otto Dix en Erich Heckel bleven gedurende vier jaar in de eerste plaats soldaat in de frontlinie en overleefden de oorlog. Ze tekenden niet in opdracht. Hun vrije werk toonde tot lang na de oorlog vooral de verschrikkingen van deze vier jaar strijd.

Fragment uit Neem mijn jeugd, die stierf vandaag

“De voortdurende spijt over zoveel talent, in de knop gebroken.” Heeft u de kunstenaars een stem willen geven, voelde u zich in zekere zin schatplichtig?

Schatplichtig is niet echt het goede woord. Spijt heeft hier meer de betekenis van leedwezen, verdriet. Aanvankelijk was ik me er niet eens bewust van dat ik ze weer een stem gaf. In het allereerste begin wilde ik eigenlijk alleen maar een soort encyclopedietje maken, een reisgidsje naar de begraafplaatsen waar kunstenaars begraven lagen. Het besef dat ik met mijn geschrijf ook een aantal onbekendere kunstenaars weer voor het voetlicht haalde, kwam pas later. Het liefst zou je iedere soldaat, kunstenaar of niet, weer uit die vergetelheid willen halen, hun persoonlijke verhaal willen beschrijven. Gelukkig zijn er meer schrijvers die dat doen. Er zijn veel artikelen in boeken, musea en op websites waar je levensbeschrijvingen van onbekende soldaten kunt lezen.

Wat kunnen we leren van de verhalen?

Van de individuele verhalen niet veel, ben ik bang. We leren sowieso niet veel van de geschiedenis. Kijk om je heen. Maar in grote lijnen zouden we kunnen leren dat nationalisme - dat in de jaren voor deze oorlog enorm toenam - vooral tot geweld en oorlog leidt. De Engelse dichter Charles Sorley was nota bene op wandelvakantie bij Trier toen de oorlog uitbrak. Opeens was hij een vijand geworden en werd hij gevangengenomen. Weer terug in Engeland meldde hij zich voor de militaire dienst. Mensen die voordien dus vreedzaam naast elkaar leefden – Sorley hield van Duitsland en de Duitse taal - worden opeens vijanden door ‘ophitsing’ en misleiding van de leiders. Dat mogen onze volksvertegenwoordigers ook weleens meer beseffen wanneer ze zich ongenuanceerd uitlaten. Maar vooral zou je kunnen leren dat je altijd zelf goed moet blijven nadenken en kritisch moet blijven.