Leesfragmenten

Debutanten van Vrijdag: Jef Schokkaert met Andromeda

Header Andromeda Debutanten

De laatste twee weken verschenen er op Lees Magazine leesfragmenten van een debutant bij de uitgeverij Vrijdag. Vandaag is daarvan het laatste leesfragment te lezen. Deze zomer presenteert uitgeverij Vrijdag met ontzettend veel genoegen en trots drie jonge, pittige debutanten. Drie talenten met elk een eigen en verfrissende stem die absoluut niet onopgemerkt zullen blijven. Met deze laatste vrijdag: Andromeda van Jef Schokkaert.

In de ambitieuze roman Andromeda beschrijft Jef Schokkaert de impact van een terreuraanslag die niet enkel drastisch de levensloop van de hoofdpersonages verandert, maar die ook onvermijdelijk het lot van hun kinderen, kleinkinderen en zelfs de wereldgeschiedenis bepaalt.

Eerst even voorstellen

Beste lezer,

Ik weet niet wie je bent. Ik ken je achtergrond niet, je voorkeuren, angsten, hartstochten of onhebbelijkheden. Jij kent ook de mijne niet en dat is logisch. Mijn leven is immers, zoals dat van de meesten, niet gedreven door een dramatische plot of spannende opbouw. Mijn bestaan speelt zich in de kantlijn van de belangrijke gebeurtenissen af als een trage, korrelige zwart-witfilm. Maar mijn beleving is niet begrensd door deze middelmatigheid, ze wordt ondertiteld met een stroom aan hypothesen: wat als morgen de zwaartekracht stopt met bestaan? Wat als die oude vrouw met haar hondje een bommengordel draagt? Wat als de buschauffeur gisteren vluchtmisdrijf pleegde na een dodelijk ongeluk?
We worden allemaal geconfronteerd met de grote vragen van afscheid en de absurde details van een belastingaangifte, maar voor mij zijn ze een soort draaideur naar een andere wereld; ik neem ze mee naar de beslotenheid van mijn schrijftafel waar ik ze begroet als een oude vriend. Er is voor mij geen groter geluk dan het onbeschreven blad, het beloftevolle moment nog voor de inkt vloeit. De flikkerende cursor is een geschenk want mijn imperfectie waarborgt de troostende mogelijkheid tot verbetering. Mijn geweten heeft geen plaats in het proces. Moraliteit werkt verlammend; mijn personages moeten kunnen plunderen, moorden en bedriegen. De echte wereld is natuurlijk een dankbaar startpunt. Dagelijks wordt de open deur ingetrapt dat de realiteit vreemder is dan fictie en mijn verhalen ontstaan dan ook uit verwondering. Toch kan je van Roy Sullivan geen hoofdpersonage maken. De man overleefde zeven blikseminslagen en pleegde dan op 71-jarige leeftijd ironisch genoeg zelfmoord omwille van een onbeantwoorde liefde. Als schrijver probeer je de realiteit af te zwakken tot ze geloofwaardig wordt. Je verzint oorzaken en gevolgen, een logische opeenvolging van gebeurtenissen, terwijl het echte leven soms zo chaotisch verloopt dat het voorbestemd lijkt. Schrijven is op die manier een wanhopige poging tot controle.
Het lijkt terecht om schrijvers te beschouwen als omhooggevallen karikaturen van zichzelf. Wie zou er anders de moeite nemen om zo materieel een stem te geven aan zijn eigen gedachten en fantasie? Maar je doet dat natuurlijk niet enkel voor jezelf, ik toch niet. Als schrijver probeer je boven alles een verhaal te vertellen, je lezer te boeien. Je zoekt contact met gedeelde uitdagingen, tracht woorden te geven aan de onderstroom van de realiteit die ons allemaal verbindt. Schrijven is een charme-offensief voor een volstrekt vreemde, een uitgestoken hand naar jou, wie je ook bent. De eer is volledig de mijne.

Hoogachtend,
Jef

Boek Andromeda

Andromeda

‘De verraders van het heden zijn de helden van morgen.’
Het meisje zuchtte, wreef over haar sleutelbeen en besloot dat het citaat daar moest komen, op dat smalle, gebogen bot dat tegen haar huid duwde. Ze had al meerdere tatoeages: een kat die vanop haar kuit nieuwsgierig opkeek naar haar knieholte, een wervelwind op haar onderarm, een spinnenweb die zich over haar schouder spande. Ze schudde haar hoofd, draaide zich om en duwde de glazen deur open waardoor ze enkele minuten eerder was binnen gekomen.
Boven de universiteitscampus viel een vlucht spreeuwen uit elkaar en groepeerde opnieuw tegen de kabbelende stroom van hoge, grijze wolken. Er stonden al enkele politieagenten tegen een muur, maar van de demonstranten was nog geen spoor. Die werden verwacht rond het middaguur. Ze haastte zich naar de bankautomaat op het einde van de straat.
In de noordelijke trappenhal van het woonblok deelden twee mannen een sigaret en bekeken haar vanuit hun ooghoeken. Ze vloekte binnensmonds. Het was de kortste route geweest, maar ook de meest opzichtige. Vanop het binnenplein, waar korte, bladerloze struiken een ruit tekenden tussen de gebarsten tegels, bestudeerde ze de gesloten deur op de derde verdieping.
Geen zwaailichten of gele afsluitingsband. Appartement 38, de ruimte waar ze de laatste vijf van haar negentien levensjaren had doorgebracht, predikte op het eerste zicht een vredige stilte. Ze keek achter zich waar de twee mannen hun aandacht opnieuw aan elkaar schonken en liep de trap op die langs weerszijden afgesloten was door een bevlekte, witte muur.
Op de derde verdieping hield ze haar adem in. Ergens in de verte ging een autoalarm af maar voor het overige hoorde ze niets anders dan het gebonk van haar hart. Ze wierp een blik om de hoek: enkel het smalle, verduurde pad. Geen beweging.
Het was nog geen middag, de meeste buren bevonden zich op kantoor of tussen de gonzende fabrieksmachines.
Ze wandelde met zachte tred tot aan haar appartement, haalde diep adem, duwde de sleutel in het slot, draaide zachtjes tot ze de bijna geruisloze klik hoorde en stapte binnen.
Dansende stofdeeltjes in de streep zonlicht die tussen de twee gordijnen viel. Kleine sterren, kleine discolichtjes.
Er was niets veranderd aan de ruimte die ze die ochtend had verlaten. De fles stond naast de opgebrande sigaret in de marmeren asbak. Het lijk van haar moeder lag in de zetel, het hoofd naar rechts gekanteld. Het meisje wandelde naar haar kamer, trok de bovenste lade van de kast open en diepte een reservesleutel op uit een hooiberg van pennen, postkaarten, oude munten en gedeukte rolletjes kleefband. Toen nam ze een envelop van haar bureau en stak de stapel bankbiljetten in de briefomslag.
Terug in de woonkamer viel ze stil. De hand die langs de onbewogen fles even onbewogen was blijven liggen, rustte op een klein rechthoekje. Op haar tenen wandelde ze tussen de bloedspatten door en herkende haar oude dagboek. Op de vergeelde bladzijden stond haar eigen onvaste, kinderlijke geschrift.
Ze slikte toen ze na haar laatste toepasselijke woorden enkel lege pagina’s vond, stak het schriftje in haar rugzak en griste een lege waterfles mee voor ze de deur uitwandelde.
Buiten had de troep spreeuwen zich over de kale takken op het plein verdeeld. Zwarte, gevederde wachters van het houten geraamte. Ze haastte zich naar de trap die ze afdaalde tot in de kelder. De brandstof zou er nog staan, daar was ze zeker van, dat was zowat het enige waarover de driehonderdenzeven residenten van het woonblok het eens waren om een gedeelde verantwoordelijkheid te respecteren. Ze zocht het kleine sleuteltje, opende het slot en trok de ketting rammelend tussen de verroeste deurklinken uit. Het leed geen twijfel dat het nazinderende geluid de aandacht zou trekken van enkele bewoners, maar wanneer de agenten arriveerden en de open deur aantroffen, zou ze al lang weg zijn. 
De kelder rook naar schimmel en was vergeven van spinnenwebben.
Hoestend sloeg ze voor zich uit tot ze de oude noodgenerator zag. Het meisje draaide de zwarte dop van het stoffige benzineblik en werd duizelig van de indringende geur terwijl ze de waterfles met trage klotsen vulde. De spreeuwen vlogen kwetterend op toen ze even later met versnelde pas over het binnenplein liep.
‘Toch nog eentje?’ Wilbur was omgeven door een cynische berusting en een zachte, hakkelende stem die elke zin opnieuw leek te breken onder het gewicht van zijn woorden. Ze glimlachte, toonde even haar open handen als teken van overgave en gaf hem een blaadje papier. Hij bekeek de tekst.
‘Een speciale gelegenheid?’ Hij wandelde naar de toog. ‘Het is je eerste spreuk.’
‘Ik wil hem graag in spiegelschrift,’ zei het meisje.
Wilbur keek haar aan alsof ze een grapje maakte. ‘Waarom zou je dat willen?’
‘Ik wil het kunnen lezen als het af is.’
Wilbur schudde zijn hoofd met een halve glimlach, nam een tweede blad waar hij met potlood op begon te schetsen en knikte na enkele minuten tevreden. ‘Je kent de weg.’
Ze volgde het smalle gangetje langs de toog naar de achterkamer, waar de zwarte, leren stoel stond die hij tien jaar eerder op de kop had getikt in een failliete tandartspraktijk. Het witte pluche ontsnapte langs kleine scheurtjes. Er hing een geur van inkt en ontsmettingsmiddel.
‘Waar wil je het?’
Ze wreef met haar wijsvinger over de golfjes van haar sleutelbeenderen.
Wilbur vertrok zijn gezicht: ‘Gevoelige plaats.’
Het meisje klemde haar lippen op elkaar. Na twintig minuten van gezoem en prikkende pijn, hoorde ze hem zuchten.
‘Waarom eigenlijk?’ vroeg Wilbur terwijl hij de naald aan de onderkant van haar linkse sleutelbeen zette.
‘Waarom wat?’
‘De spreuk?’
‘Ik was de afbeeldingen beu,’ zei ze, ‘niemand weet ooit wat ze betekenen.’
‘En je denkt dat mensen spiegelschrift gaan kunnen lezen?’
‘Dat doet er niet toe. Het gaat erover dat ik het kan lezen.’
Ze had haar ogen gesloten, maar wist dat Wilbur met zijn hoofd schudde: ‘En wat is het verschil dan met je afbeeldingen?’
‘Er is een verschil,’ zei het meisje, ‘een groot verschil.’
‘Nog twee letters,’ zei hij en duwde het naaldje tegen haar rechtse sleutelbeen, ‘de marteling is zo voorbij.’
Het meisje keek even later naar het spiegeltje dat hij haar voorhield. Er waren wat vegen, een ‘r’ leek op een ‘g’ en het gedeelte aan haar rechterkant helde iets te veel af.
‘Perfect,’ zei ze, ‘je bent een kunstenaar.’
‘En jij bent een vleier,’ zei Wilbur, ‘denk maar niet dat je met mooie woorden onder je betaling uitkomt. Je moet me nog wat van de vorige.’
Het meisje slikte, kwam uit de stoel en gaf hem de witte envelop. ‘Dit vereffent de schuld ruimschoots.’
Er klonk tromgeroffel en gezang ondersteund door ritmisch geklap. Het aantal politieagenten was verdubbeld en hield de massa wijdbeens in de gaten. Het was duidelijk dat zij, net als het meisje, niet voorzien waren op de grote opkomst.
Het was vooral de diversiteit die haar kwetste. Ze herkende de studenten met hun wollen truien, hun goedkope broeken, hun opgeblonken schoenen en het vuur van verandering in hun leuzen. Ze herkende de extreme fractie: onverzorgde haren, gescheurde hemden, gedateerde oorbellen, alles van vuurspuwers tot jongleurs die goedkoop winkelmerkbier dronken. Ze herkende jonge gezinnen, de vaders en de moeders hand in hand, de gestreken hemden, de geknipte vingernagels, de bulkjuwelen van de middenklasse. Hun kinderen speelden lachend met ballonnen of een vlag. Ze herkende ook jonge meisjes, niet veel ouder dan zij, met een steelse blik en een gegiechel dat om aandacht vroeg. Ze was geraakt door hun strakke staartjes, door hun zelfbewuste heupen en felle shirtjes. Bij God, wat had ze een van hen willen zijn. Echt een van hen zijn.
De tocht trok zich langzaam op gang naar de buitenwijken.
Ze had gelezen dat de demonstranten aanvankelijk hadden geëist om de grote dam te mogen bewandelen, maar het stadsbestuur had op basis van de voorziene verkeersproblemen besloten dat een kortere weg over minder precaire verkeersaders ook tot aan het natuurreservaat van Dunwich zou leiden. In een nieuwe onderhandeling was de organisatie ook het recht ontzegd om te passeren aan het herdenkingsmonument van
Hotel Graza, omdat dit, zoals opgetekend door de pers ‘te gevoelig kon liggen voor sommigen van de nabestaanden’.
De alternatieve route was een strategische omweg langs de vele sociale woningen die het zuiden van Dunwich typeerden. Het waren zielloze blokken zoals die waarin zij de meeste van haar recente herinneringen had opgebouwd. Kleine appartementjes waarin identieke woonkamers van enkele vierkante meter langs een claustrofobische badkamer en toiletruimte waren gepuzzeld.
De massa werkte systematisch woonblok per woonblok af, betonnen miskleun na betonnen miskleun. Het meisje maakte van elk oponthoud gebruik om op haar tenen te gaan staan en over de hoofden heen te kijken. Afgaand op haar eigen beperkt inschattingsvermogen, gokte ze dat de groep bestond uit enkele honderden, misschien duizend mensen. De groep die zich zingend door de straten van haar mislukte pubertijd begaf, was groot, veel groter dan ze ooit had durven vrezen.
Het duurde drie uur vanwege enkele opstootjes tussen de politie en de extremisten die naar eigen zeggen zodanig werden opgejut dat wat duw- en trekwerk gerechtvaardigd was, voor ze de verpauperde buitenwijken van Dunwich verlieten en op de A48 naar Londen wandelden.
De baan leek een grijze streep die een schilder per vergissing door het natuurlandschap had getrokken. Links en rechts was ze omgeven met boomstammen die het meisje het zicht ontnamen en haar blikveld reikte tot aan de nauwe horizon van de rijbaan, die aan weerszijden werd begrensd door de hoge muur van het bos.
Ze dacht na over de inhoud van haar rugzak. Haar testament bestond uit een geïmproviseerde verzameling, het was de meest ondoordachte bundeling van voorwerpen die een mens kon kiezen als laatste woorden: een semestertaak die ze nooit had afgegeven, een dagboek van haar jeugd dat ze had meegenomen in een emotionele opwelling, een pakje lucifers en een – binnenkort lege – fles. Anderzijds, dacht ze, klopte het ook. Haar leven was een vluchtig samenraapsel van momentopnames geweest.
Na twee kilometer hield de groep halt. Er werd een halve cirkel gevormd rond een bebaarde man die de initiatiefnemer leek te zijn. Hij nam plaats op een houten doos en haalde een megafoon boven waardoor hij sprak. Het meisje zette zich aan de rand van het gezelschap.
‘Wij zijn hier samen,’ klonk het metalig op de achtergrond, ‘om de heldendaden van Hazel Newton en Thomas Walden te herdenken. Zij waren mensen die durfden anders te zijn, die durfden de wet te breken, die zelfs zo ver gingen dat ze…’
Het achtergrondgeluid verdween voor het meisje toen ze haar rugzak openritste. Niemand keek achterom toen ze de fles nam en hem opendraaide. De mensen die het dichtste bij haar stonden, werden gealarmeerd door de geur wanneer ze de benzine over haar hoofd goot. Misschien waren er enkelingen geweest die haar nog hadden proberen tegen te houden alvorens ze de lucifer aanstreek en zichzelf in brand stak. Dat wist ze niet, want toen werd heel haar denken al overmand door de striemende pijn van smeltende huid.