Interview

Fred van Slogteren: "In de sport zijn leidersfiguren tamelijk zeldzaam."

Door: Joeri Zwarts
4-4-2018
Header Raas

Fred van Slogteren is de auteur van meer dan tien wielerboeken. Nu komt de negenenzevetigjarige Amsterdammer met een biografie over Jan Raas. In Zeist interviewde Joeri Zwarts hem over zijn sport, Jan Raas en het Nederlands succes. 

C Viktor Berkhout

Welke rol speelt wielrennen in uw leven?

Een heel grote. Ik ben geboren in Amsterdam en na de Tweede Wereldoorlog had je daar allemaal straatrondjes. Er waren nog nauwelijks auto’s en dan werden er vier met elkaar verbonden straten afgezet die het parcours vormden. Het eerste straatrondje waar ik als toeschouwer bij was, was bij ons in de buurt. Toen ik ouder werd liep ik ieder weekend in heel Amsterdam al die rondjes af. Ik vond het prachtig. Ik heb de wielersport sindsdien altijd gevolgd, maar ben er pas de laatste vijfentwintig jaar over gaan schrijven.

Deed u zelf ook mee aan die straatrondjes?

Nee, dat mocht van thuis écht niet. Mijn vader was wielrenner in de twintiger jaren. Hij kon daar prachtig over vertellen en nam me ook al heel jong mee naar het Olympisch stadion als daar wielerwedstrijden waren. Hij is op de baan eens zwaar gevallen en vond het daarom voor mij te gevaarlijk. Mijn moeder vond het een ordinaire sport. Dat was het ook wel een beetje. Het waren allemaal boeffies. Dat vond ze niet passen bij haar zoontje dat netjes moest opgroeien. Geld om zelf, tegen de wil van mijn ouders, een racefiets bij elkaar te sparen had ik niet. Voor een krantenwijk bestonden er in die tijd lange wachtlijsten. Iedereen wilde wat bijverdienen. Met een gulden in de week als zakgeld kwam je niet ver.

Wat was voor u de aanleiding om over wielrennen te gaan schrijven?

Tot 1996 had ik een reclamebureau, gespecialiseerd in bedrijfskrantjes. Met de opkomst van het internet vielen mijn klanten één voor één weg, want ieder bedrijf wilde een eigen website. Ik moest mijn inkomsten toen aanvullen en schreef een brief aan Wielerrevue met complimenten en of ik niet iets kon betekenen als medewerker. Na een gesprek met de hoofdredacteur ben ik maandelijks een interview met een bekende renner uit het verleden gaan maken. Dat ging over de dag die voor hem de mooiste was, dat was lang niet altijd zijn belangrijkste overwinning, maar eentje waaraan hij bijzondere herinneringen had. Dat heb ik drie jaar gedaan. Ik ben thuis geweest bij alle grootheden in de wielersport van Nederland en België. Mensen als Rik van Looy, Jan Janssen, Peter Post, ik heb ze allemaal geïnterviewd.

"Ik heb het boek tegen zijn wil toch geschreven en het had veel succes."

Over Peter Post heeft u niet veel later een boek geschreven.

Ja, in 1998. In bijna ieder interview viel de naam van Peter Post. Ik had hem als Amsterdamse jongen zien debuteren bij de junioren en ben altijd in de man geïnteresseerd gebleven. Toen kwam bij mij de gedachte op om een boek over hem te schrijven. Hij heeft als renner en ploegleider een indrukwekkende carrière gehad. Maar hij wilde niet meewerken en werkte me zelfs tegen door al zijn bekenden in de wielerwereld te verbieden met mij te praten. Ik heb het boek tegen zijn wil toch geschreven en het had veel succes. Toen hij het gelezen had was hij er toch blij mee en ook trots op. Sindsdien leef ik met Post op goede voet.

Hoe is het idee geboren om een boek over Jan Raas te schrijven?

Medio 2012 tot december 2017 heb ik gewerkt aan een trilogie over de geschiedenis van Nederland in de Tour de France. Daarin staan biografieën van alle 251 landgenoten die ooit de Tour hebben gereden. Bij het werken aan het derde deel kwam ik de renners tegen die bij Rabobank hebben gereden toen Raas daar de baas was. Het was tot dan onduidelijk wat precies de reden was dat Rabobank en Raas in 2003 niet zo prettig uit elkaar zijn gegaan. Raas is waarschijnlijk afgekocht en mocht er niets over zeggen, als hij dat had gewild. En banken hangen de vuile was niet buiten. Die zwijgen als het graf als ze negatief benoemd worden, dus tast iedereen sindsdien in het duister over de werkelijke reden. Door die gesprekken met renners en ploegleiders die in die periode voor Rabobank en Raas werkten, ben ik veel meer te weten gekomen over hoe het er in die ploeg aan toeging. Of het zo moest zijn werd ik toen benaderd door een uitgever om het verhaal op te schrijven en daar heb ik ja op gezegd.

Het is u wel gelukt om Raas tot medewerking te verleiden. Hij heeft de teksten nagekeken en van commentaar voorzien. Hoe is u dat gelukt?

Ik heb hem eerst een brief geschreven. Toen kreeg ik omgaand een mail van één regel: ‘Dat wil ik niet. Groet, Jan.’ Zo is ‘ie, kort door de bocht. Veertien dagen later heb ik hem laten weten dat ik het plan toch doorzette. Ik kreeg een mailtje terug: ‘Geen me je adres, dan krijg je een brief van me.’ Die brief was duidelijk opgesteld door een advocaat en zat vol dreigementen en juridische termen. Ik heb die brief doorgestuurd naar de advocaat van de uitgever en die liet weten dat Raas me juridisch niets kon maken. Dat heb ik hem laten weten. Toen kreeg ik een paar maanden later een mailtje: ‘Waar blijft dat boek?!’ Waarmee maar geïllustreerd mag zijn dat het een zeer onberekenbare man is. Een paar weken later werd ik gebeld. ‘Fred, met Jan. Volgende week maandag twaalf uur, Motel Breda.’ En toen gelijk de haak erop. Ik was er eerder dan hij. Even later zat er een doodnerveuze man tegenover me, die me liet weten dat hij geen boek wilde. Ik antwoordde dat we die discussie al gehad hadden en ik niet voor niets naar Breda was gekomen. Na overleg zijn we tot die afspraak gekomen.

"Ik heb voor al mijn boeken bij de hoofdpersoon toestemming gevraagd. Het is altijd belangrijk om informatie uit de eerste hand te krijgen."

Waarom was het voor u zo belangrijk dat Jan Raas zijn medewerking verleende? Er zijn genoeg goede biografieën geschreven zonder dat de hoofdpersoon meewerkte.

Ik heb voor al mijn boeken bij de hoofdpersoon toestemming gevraagd. Het is altijd belangrijk om informatie uit de eerste hand te krijgen. Als dat niet kan, stap je over op de tweede of derde hand. Alle hoofdpersonen zeiden ja, behalve Peter Post en Jan Raas. Dat zegt ook iets over hun karakter.

U heeft Raas uw favoriete renner genoemd. Is dat zo gebleven?

Ja, want hij was behalve een van de beste renners van zijn tijd ook een grote persoonlijkheid. Hij was de baas in het peloton, bepaalde hoe er gereden werd en vaak ook wie er wel en zeker niet mocht winnen. Ik vond het fantastisch dat één man op basis van natuurlijk overwicht zoveel anderen zijn wil op kan leggen. In de sport zijn leidersfiguren tamelijk zeldzaam.
Hoewel hij zich stipt aan de afspraken heeft gehouden is het niet echt goed gekomen tussen ons. Ik denk dat als ik hem hierbuiten zou tegenkomen, dat hij me onmiddellijk bij mijn vest pakt en plein publique verrot scheld.

Waarom denk u dat?

Zo is de man. Als baas van de peloton, en ook als ploegleider, is dat prima. Je mag je ploeggenoten of renners aanpakken als ze niet naar behoren presteren of niet voor de overwinning gaan. Maar als algemeen directeur van het Rabobank Wielerplan, een miljoenenproject, gaat dat niet op. Dan moet je andere kwaliteiten hebben. En die heeft hij niet, had hij niet en zal hij nooit krijgen. In feite is Raas een Zeeuwse boer van zwart en wit. Zijn gelijk is het enig juiste. Ook in zijn rancune. Raas is kwaad. Kwaad op Rabobank, op iedereen die iets negatiefs over hem heeft geschreven en eigenlijk op de hele wereld. Hij kent absoluut geen grijs.

"Ik was en ben hem nog steeds dankbaar."

Is het niet zonde dat hij zich door rancune laat leiden, terwijl er ook veel te vieren is. 

Ja, natuurlijk. Het is merkwaardig, want het is best een aardige, charmante man. Hij had ook gewoon als Jan Raas overal kunnen verschijnen, de wielerwereld tilt niet zo zwaar aan gemaakte fouten. Hij was en blijft een groot kampioen. Thomas Dekker en Michael Boogerd ook en die verschijnen in allerlei radio- en televisieprogramma’s. Het is even stil blijven zitten als je geschoren wordt en daarna net doen alsof er niets gebeurd is. Dat had Raas ook kunnen doen. Maar dat zit niet in zijn karakter. Hij is rancuneus en omdat hij zich te midden van zijn eigen familie en vrienden in Zeeland opsluit, zal hij dat altijd blijven. Hij wordt niet tegengesproken, want als ze het niet met hem eens zijn houden ze hun mond. Anders komt het ze dat op eeuwige vijandschap te staan.

Heeft u die charmante kant zelf meegemaakt?

Dat zal ik je vertellen. In een blad dat ik met mijn bureau maakte heb ik eens een interview met Henk Lubberding opgenomen. Hij was na zijn carrière een bedrijf begonnen en kon wel wat publiciteit gebruiken: Teambuilding met Lubberding. Daar heb ik een stuk over geschreven en het in dat blad geplaatst omdat het qua relevantie daarin paste. Toen vroeg Henk wat ik ervoor wilde hebben. Ik wilde er geen geld voor, want Henk was een vriend geworden. Ik hoopte dat zijn bedrijf goed ging lopen en als ik daar een steentje aan kon bijdragen, graag. Maar ik vroeg wel of hij iets in natura voor me kon regelen. Ik wilde wel eens een dag mee in een ploegleidersauto. Dat leek me fantastisch, alleen is het weinigen gegund. In de Tour de France zit er wel eens een minister-president, of een andere hotemetoot naast de ploegleider, maar dat zijn uitzonderingen. Uitgerekend Jan Raas was de enige die toestemming gaf om mij een dagje mee te laten gaan. Dat is een fantastische ervaring geweest en dat heb ik aan Raas te danken.

Heeft u hem daarvoor bedankt?

Bij de eerstvolgende keer dat hij de Rabobank-ploegen presenteerde ben ik naar hem toe gestapt en hebben we heel leuk zitten praten. Ik was en ben hem nog steeds dankbaar. Hij vertelde me dat hij dat nooit toeliet. Maar hij vertrouwde me en Lubberding had zoveel voor Raas gedaan dat hij dat niet kon weigeren. Later heb ik hem ook nog wel eens gesproken bij een persconferentie en dat was altijd prima.

"Hij stond bekend als een uitgesproken tegenstander van alles dat met doping te maken had, terwijl er in zijn tijd ook gebruikt werd."

Denkt u dat die band heeft bijgedragen aan zijn beslissing om uw teksten voor publicatie te willen nalezen?

Nee, dat is de achterdocht die de man eigen is. Het is een controlfreak. Toen ik het plan opvatte om dat boek te schrijven was er al geen sympathie meer. Toen was hij al boos op mij en de hele wereld.

Uw boek wekt de indruk dat hij ook slachtoffer is van het dopinggebruik.

Misschien wel. Toen ik hem bedankte, heb ik dat onderwerp aangesneden. Hij stond bekend als een uitgesproken tegenstander van alles dat met doping te maken had, terwijl er in zijn tijd ook gebruikt werd. Hij zei dat hij dat anders deed: “Ik hoefde niet iedere week te koersen. Na de voorjaarsklassiekers, ging ik twee weken rusten. Ik had de vorm toch wel te pakken. Het was bijhouden en verder lag ik op bed. Rusten. Niet met je vrouw de stad in. Rusten. Dan heb je geen doping nodig. Conditie brengt je een heel eind in de koers. Dat heb ik mijn renners als ploegleider ook altijd voorgehouden. Dat ik het absoluut niet tolereerde als ik er lucht van kreeg dat ze gebruikten.”

Maar toen hij bij Rabobank begon was de hele toestand met bloeddoping allang bezig. Ook bij zijn ploeg, maar hij bleef beweren dat zijn renners schoon waren. De waarheid was dat hij de grip toen als algemeen directeur van het Rabobank Wielerplan al verloren had. Hij contracteerde buitenlandse renners die hij niet kon vertrouwen. Als hij had vastgehouden aan zijn principes had hij ontslag moeten nemen. Maar als algemeen directeur verdiende hij veel geld. Principes tegenover geld, dan is het vlees weleens zwak.

Raas heeft niet aan dopinggebruik meegewerkt, maar er ook geen afstand van gedaan.

Het is de vraag of hij ervan geweten heeft dat een aantal renners van zijn ploeg - misschien wel het merendeel - toch gebruikte. Medisch directeur Geert Leinders is een aantal jaren geleden voor het leven geschorst en mag nooit meer een sportploeg medisch begeleiden. De man moet heel, heel fout zijn geweest, anders krijg je zo’n straf niet. Ik vind dat hij zich als algemeen directeur niet in Zeeland had moeten verschansen, maar zoveel mogelijk bij de koersen zijn en de vinger in alle opzichten aan de pols houden. In plaats daarvan maakte hij de opstellingen, boekte de vliegreizen en zocht hotels uit. Dat kan een intelligente jonge medewerker ook doen. Raas had beleid moeten maken, verbeteringen moeten bedenken en doorvoeren. En bij de koers zijn, want van een afstand zie je niet alles.

"Dit hadden we een paar jaar geleden niet kunnen bedenken."

Is het daarop misgelopen?

Volgens zijn mededirecteur Pieter Hubert, die over de financiën en de personeelszaken ging, is Rabobank veel te lichtvaardig met Raas in zee gegaan. Ze kickten op een grote naam maar de vraag of die wel geschikt was om aan het hoofd te staan van een organisatie met meer dan honderd mensen op de loonlijst en een miljoenenbudget werd niet of nauwelijks gesteld. Wie als anonieme ondernemer of particulier naar de bank gaat voor een lening wordt uitgebreid doorgelicht, maar als het een beroemdheid betreft is het zo voor elkaar. Met Jan Raas als boegbeeld is de bank veel te vrijgevig geweest in het opzetten van een megalomaan project.

U schrijft in het boek ook dat alleen de pers zich druk maakt over doping. Waarom vindt u dat?

Het publiek maakt er zich niet druk over. Ik wel. Ik vind dat doping uitgebannen moet worden, maar dat is een vrome wens. Ik denk wel dat de wielersport nu redelijk schoon is, hoewel dat gedoe met Froome en de Sky-ploeg te denken geeft.

In uw boek legt u de link tussen dopinggebruik in het peloton en de verminderde prestaties van de Nederlanders. Nu zijn de Nederlanders weer op de weg omhoog. Is daar een direct verband?

We hebben het dan over verschillende tijdperken. Toen de Nederlandse renners in het begin van de jaren negentig nog van niks wisten werd er met name in Italië en Spanje volop gebruikt, met als gevolg dat de Nederlanders er niet meer aan te pas kwamen. Daarna is er veel veranderd. Na de bekentenissen van Armstrong en Boogerd werd duidelijk dat jongere generaties niets van doping moesten hebben.

Dat de Nederlanders de weg omhoog weer hebben gevonden is verheugend. Tom Dumoulin rijdt dit jaar de Giro d’Italia en de Tour de France. Of hij dat op zijn zesentwintigste al aan kan moeten we afwachten. Het kan ook zijn dat Steven Kruijswijk zijn belofte van twee jaar geleden alsnog inlost. En wat doet Bauke Mollema? Die wordt ieder jaar sterker. Vorig jaar won hij een Touretappe na een solo van 30 kilometer voor een jagende groep. Mijn hemel. Dan kan je fietsen, hoor. Dat is het mooie aan de situatie van nu. Dit hadden we een paar jaar geleden niet kunnen bedenken.

Wil je altijd op de hoogte zijn van de boeken binnen jouw favoriete genre? Stel je voorkeur in en ontvang updates.

Joeri
Joeri Zwarts