Interview

Interview Beorn Nijenhuis: "Ik heb een soort van eiland van herinneringen in mijn hoofd."

Door: Joeri
05-02-2018
Header De Jongen Die Met Dieren Schaatste

Beorn Nijenhuis (1984) haalde als schaatser de Olympische Spelen van 2006. Daarna verruilde hij op steelse wijze de topsportwereld voor een carrière als wetenschapper. In samenwerking met Edward van de Vendel en Sanne te Loo komt hij nu met een kinderboek: De jongen die met de dieren schaatste. Joeri Zwarts sprak met hem over motivatie, eerlijkheid en het verschil tussen het hart en het hoofd. 

Hoe ervaar jij de weken in aanloop naar de Olympische Spelen?
Eigenlijk als heel mooi. Ik denk dat een boel mensen geloven dat er een soort fear of missing out heerst onder ex-topsporters. Dat is niet zo. De Olympisch Spelen zijn het hoogtepunt van een berg die je beklommen hebt. Het is een soort tocht naar Mekka. Als je er één keer bent geweest, heb je een gevoel van geluk en voldaanheid als je het nog een keer ziet gebeuren. Ik bedenk dan hoe leuk het voor die mensen is.

Is de ervaring van één keer gaan voor jou voldoende om het niet meer te missen?
Voor sommigen sporters niet. Voor mij wel. Ik weet nog toen ik me kwalificeerde dat ik dacht: ‘Beorn, dit kan niemand meer van je afnemen. Wat je nu gaat ervaren is erg mooi en iets heel zeldzaams.’ Sport is een kwestie van geluk en net zolang doorgaan totdat je op het juiste moment op de juiste plek zit. Door dat besef hechtte ik, denk ik, veel minder waarde aan de ultieme prestatie en meer aan wat voor een ervaring het was. Ik voelde ook gigantisch veel geluk als ik bijvoorbeeld in China zat. Dat gevoel kwam niet doordat alles zo goed geregeld was, want dat was het niet echt. We zaten in Noord-China, in Harbin, en daar ging van alles verkeerd. Zeker de eerste paar jaar dat we daar kwamen, waren er dingen die, eufemistisch gezegd, niet heel erg professioneel geregeld waren voor topsporters. 

"Nul begrip voor een atletendiner."

Heb je daar een voorbeeld van?
Het is misschien een beetje vies, maar de wc’s waren in een staat waarvan ik dacht: 'hoe hebben ze dat voor elkaar gekregen?' Het mooiste voorbeeld is welk eten ze hadden geregeld. Er was nul begrip voor een atletendiner. Ze hadden in het hoekje waar sporters tussen de wedstrijden in eten een hele grote trouwtaart neergezet, met meerdere verdiepingen en een dikke laag glazuur.

Daar liet jij je niet door van wijs brengen?
Nee, en dat zegt ook wel wat over hoe ik erin stond. Ik weet nog dat iedereen heel teleurgesteld en emotioneel geraakt was door hoe slecht de organisatie was. Mij maakte het echt niet zoveel uit. Dus als een soort half protest tegenover al die negativiteit pakte ik net voor mijn laatste duizend meter een gigantisch stuk cake en at ik het voor iedereen zijn neus op. Ik won de World Cup in Harbin.

Je hebt ergens gezegd dat het leven na het schaatsen een heel stuk makkelijker is.
Ik wil niet zeggen "makkelijker dan andere mensen het hebben". Topsport is heel zwaar, je moet er veel voor opgeven. Daarbij vergeleken vond ik mijn bachelorervaring erg makkelijk. De hoeveelheid vrije tijd die ik had en wat academisch gezien van mij gevraagd werd, vond ik fijner om mee om te gaan. Ik denk dat dat geen raar statement is. Nu probeer ik diezelfde intensiviteit van mijn sporttijd op te nemen in mijn dagelijkse bezigheden. 

"Waar begint ons natuurlijk talent voor dingen en waar eindigt ons vermogen om onze eigen hersenen te veranderen?"

Die motivatie speelt ook een grote rol in het boek. Hoe belangrijk is die zoektocht voor je?
Ik denk dat dit terugkomt op je eerste vraag. Welke normen en waarden zijn het belangrijkst in een topsportcarrière? Ik denk dat een heleboel mensen zouden zeggen: simpel, winnen. Maar ik denk dat diezelfde mensen na hun sportcarrière – als de glans van hun overwinningen wat minder is – erachter komen dat de ervaring het belangrijkste is. De prachtige, rare, interessante momenten die je meemaakt als sporter. Ik weet nog dat ik rondliep in een achterwijk van Harbin. Ik zag een vrouw met haar hand draaien in een ton dode vissen, om er leven in te brengen zodat mensen die vissen kochten. Een paar jaar later kwamen we terug en was die hele sloppenwijk weg. De vraag is dan waar die mensen zijn gebleven. Of die keer dat we bergop moesten rennen in Italië en dat Erben Wennemars kermend van de pijn over de weg rolde. Sven Kramer had hetzelfde gedaan en riep spelend: ‘Erben, sta eens op, man.’ Wat hebben dat soort momenten met plaats een of nummer twee te maken? Niet veel. Maar dat zijn wel de momenten die een sportleven definiëren. 


Hoe vind je diezelfde passie in een studieboek of in het lab?
Heel makkelijk. Ik heb niet te maken met een saai stuk tekst dat ik niet wil lezen. Neurowetenschappen gaat over de fascinerende knelpunten waar ons natuurlijk vermogen onze wil tegenkomt. In hoeverre zijn wij sterk genoeg om die wilskracht te vertalen in actie? En het gaat ook over alle dingen waar je geen controle over hebt. Waar begint ons natuurlijk talent voor dingen en waar eindigt ons vermogen om onze eigen hersenen te veranderen? In hoeverre kunnen wij onszelf verbeteren?  Zijn dat geen interessante vragen?

Het heeft veel raakvlakken met topsport.

Gigantisch veel. Bij sprekersbijeenkomsten, als coach op het conservatorium en als neurowetenschapper bekijk ik zaken altijd door het prisma van sport. Daar komen fascinerende dingen uit naar voren. Het verzamelen van verschillende levenservaringen verrijkt je uiteindelijke ervaring van wetenschap en wat je daarmee kan bereiken.

Met de wetenschap die je nu hebt opgedaan. Wat zou je je jongere zelf willen adviseren?

Werk nog harder.

Ja?

Ja. Ga nog meer studeren. Ik heb tijdens mijn carrière literatuur en filosofie gestudeerd. Er waren veel meer mogelijkheden om dat efficiënt te kunnen studeren met alle reizen en alle avonden alleen in een hotelkamer. Maar ik weet nog dat ik ongelooflijk moe was want topsport was heel zwaar. Bovendien kan je onderweg geen wetenschap studeren. Daar heb je een lab voor nodig, praktijkervaring en docenten die je bepaalde methodiek aanleren.

Hoe is het idee voor dit boek geboren?
Ik ken Edward (van de Vendel, J.C.) al dertien jaar. Hij had mij op de Olympische Spelen bij Mart Smeets gezien en hoe dat gesprek liep, sprak hem aan. Hij heeft me een mail gestuurd met de vraag of we konden praten over een gezamenlijk project. De eerste zes uur van dat gesprek gingen alleen maar over onze gemene delers. We zijn heel goede vrienden geworden. Tijdens mijn sportcarrière was het moeilijk om samen te werken aan dat project. Pas toen ik tussen het eind van mijn bachelor en het begin van mijn masteropleiding  meer tijd had, zijn we echt serieus gaan praten. 

"Ik heb een soort van eiland van herinneringen in Canada, die bestaan als een soort tijdmachine in mijn hoofd."

Waarom heb je voor een kinderboek gekozen?
Ik wilde iets doen dat een ode was aan mijn transitie tussen Canada en Nederland. Wat zo interessant voor mij is, is dat ik door een proces van verandering ging door naar Nederland te komen. Het was een ruimtelijke transitie van het meest weidse land naar het meest compacte. Dat was fascinerend. Ik heb een soort van eiland van herinneringen in Canada, die bestaan als een soort tijdmachine in mijn hoofd. Die herinnering kan ik het best beschrijven in een vorm die overeenkomt met een kinderboek. Dat betekent niet dat die herinnering objectief nauwkeurig is. Met de fantasierijke en onervaren ogen van een kind is het misschien zelfs minder nauwkeurig. Maar het is wel een goede basis voor een kinderboek.


We kunnen het ook neurowetenschappelijk bekijken. Onze herinneringen bestaan niet - zoals we denken - op een soort harde schijf die we erbij kunnen pakken. Het is een constant proces van herziening. Als je ouder wordt en je hebt herinneringen aan je verleden, maar je woont nog steeds in hetzelfde gebied, speelt je huidige perspectief op die dingen mee in wat voor herinneringen je aan je verleden hebt. Dat is bij mij niet het geval, want ik ben verhuisd. Ik wil mezelf echt niet – op geen enkele manier - met James Joyce vergelijken, maar de manier waarop hij over Dublin kon schrijven was een soort van herdenkend. Ulysses zou niet hetzelfde geweest zijn als hij dat in Dublin had geschreven. De manier waarop we verhalen vertellen over ons verleden, wordt gevormd door de mate waarop we er elke dag mee verbonden zijn. Omdat ik maar af en toe terug ga, kan ik een zuiverder verhaal vertellen over mijn ervaringen als kind. 

"Het verhaal gaat niet over het beklimmen van de berg en aan het eind is alles fantastisch."

Is dit boek ook een manier om die herinneringen eeuwig en tastbaar te maken?
Het is zeker bij me opgekomen dat mijn nichtjes, neefjes en – wellicht – toekomstige kinderen het kunnen lezen en bewaren als deel van hun leven. Dat was erg belangrijk voor me gedurende dit project. En wat je misschien opvalt als je het leest, is dat het een open einde heeft. Het verhaal gaat niet over het beklimmen van de berg en aan het eind is alles fantastisch.

Is de onderliggende boodschap om door te blijven gaan?
Ja, en ook om jezelf te vragen wat belangrijk is. De enige expliciet beschreven race is een gigantische mislukking. Dat is geen toeval.

Je bent altijd degene die de buitenstaander is binnen een groep. Je bent een Nederlander in Canada, een Canadees in Nederland, een wetenschapper in de topsportwereld en een topsporter in de wetenschap. Voel je je comfortabel in die rol of is dat toeval?
Dat is een goede vraag. Om die vraag te beantwoorden moet ik nagaan of het opzettelijke beslissingen zijn geweest. Ik denk graag dat ik heb geprobeerd te doen wat ik wilde doen. En doen wat ik wilde doen heeft me vaak geplaatst tussen twee niet overlappende gebieden. Het heeft ervoor gezorgd dat mensen me vaak vragen om een keuze te maken. En ik heb besloten dat niet te doen. Omdat ik dat niet kan, en eigenlijk niet wil.

Het stereotype luidt dat wetenschap met het hoofd is en sport met het hart.
Dat is in essentie het probleem. Mensen nemen een metafysisch dualisme aan met betrekking tot sport en wetenschap. De waarheid is dat sport, muziek, wetenschap, ondernemen en pottenbakken allemaal hoofd zijn. En ook allemaal hart. Een professionele muzikant beweegt zijn vingers sneller dan een professionele sporter iets kan bewegen. Omdat ze dat met kleine spieren doen  denken mensen dat ze verschillen van een atleet. Terwijl ze op een hele hoop manier hetzelfde zijn. 

"Je neemt geen rationele beslissingen over de dingen waar je van houdt. Dat is waarom we ze zo stevig beschermen."

De meeste technologische innovaties in sport worden met scepsis ontvangen. Vaak met het argument dat de romantiek intact moeten blijven. Hoe zie jij dat?
Romantiek is het juiste woord. We houden van sport. En wat doen we met dingen waar we van houden? Daar handelen we irrationeel over. Je neemt geen rationele beslissingen over de dingen waar je van houdt. Dat is waarom we ze zo stevig beschermen. Soms bescherm je de dingen waar je van houdt tegen de dingen die ze uiteindelijk zouden moeten doen. Willen we een dak op het schaatsstadion in Inzell? Nee! We houden van de bergen!

Is dat waarom sommige mensen vinden dat de Russen alsnog naar de Olympische Spelen zouden mogen?
Precies. Veel voormalig atleten hebben moeite om zich tegen Rusland uit te spreken. Ze willen niet zeggen dat het logisch is dat ze niet mogen gaan, want de Russen hebben vals gespeeld. Ondanks dat de Russische schaatsbond, de Russische sportorganisatie en de hoogste organen van de Russische overheid de rest van de wereld hebben misbruikt, houden we zoveel van de sport en houden we zoveel van de competitie, dat we bijna toestaan dat ze ons misbruiken. Het is een gewelddadige relatie. En dat is het grote geheim en mysterie van gewelddadige relaties, ze gaan door vanwege liefde.

Het hart en het hoofd?

De reden dat het daarop neerkomt, is omdat mensen onjuist dat onderscheid maken. Ze zeggen: 'ik volg mijn hart.' Maar wat ze moeten zeggen is: 'hoofd en het hart zijn gelijk.' Waar we van houden, houden we van met ons hart en ons hoofd. Op een zeker moment moeten we willen accepteren en toegeven dat ondanks de irrationele kanten van onze hersenen en onze emoties, we zouden willen dat we de makkelijke, beschermende weg kiezen. Het lijken keuzes voor het hoofd, maar uiteindelijk worden ze gemaakt door het hart. Want het zijn de keuzes die de sport gezond houden.

"Je kan alleen van sport houden, en van de opoffering van de schaatsers en fietsers houden, als je van ze houdt op basis van de grondwettelijke basis van eerlijkheid."

Hoe kan wetenschap daarbij helpen?
Wetenschap moet niet gezien worden als een superrationeel ding dat los staat van de liefde en cultuur van sport. Een van mijn favoriete polemieken zei recent iets zeer interessants. Hij zei dat de rol van de man in de witte jas, de wetenschappelijk expert, in de literatuur eerst iemand was waar op gebouwd kon worden. Iemand die vertrouwen schepte en de belangrijke beslissingen met het oog op de toekomst nam. Vanaf 1920, 1930, toen de Romantiek doordruppelde in de samenleving, werden de witte jassen bijna allemaal weergaven van Dr. Frankenstein. Ze werden figuren die de grenzen opzochten op een manier die zou leiden tot een algehele ramp. Dit stereotype is kwaadaardig en actief in onze samenleving tot vandaag de dag.  Wetenschap moet compleet los gezien worden van de culturen, tradities en dingen waar we van houden. Wetenschap mag alleen heel, heel voorzichtig interveniëren. Zo’n soort houding is ongezond en onrealistisch ten opzichte van onze samenleving. En onhoudbaar. 


Mensen zeggen dat de wielerbond zijn eigen graf heeft gegraven door zo streng op doping te controleren. Wat denk je daarvan?
 Als een liefdesverhouding gebaseerd is op ongezonde, destructieve fundering, is het proces van verandering heel pijnvol en negatief, maar als het niet geadresseerd wordt, loop je het risico dat de sport van binnenuit vernietigd wordt. En begrijp me niet verkeerd, ik ben heel pragmatisch als het gaat om prestatiebevorderende middelen. Wij als schaatsers deden een hoop prestatiebevorderende dingen die niet gezond voor je zijn als de lange termijn je doel is. Maar dat was niet punt. We deden het allemaal en we waren ons allemaal bewust dat we dat mochten doen. Het was eerlijk. En eerlijkheid is de fundering van de sportgemeenschap. Zo gauw als we eerlijkheid verliezen, verliezen we alles. Je kan alleen van sport houden, en van de opoffering van de schaatsers en fietsers houden, als je van ze houdt op basis van de grondwettelijke basis van eerlijkheid. Het is niet voor niets dat sport zo populair is geworden in de laatste twee eeuwen van de menselijke geschiedenis. We hebben gezien dat de geboorte van de passie voor sport parallel loopt aan de geboorte van alle moderne democratieën.  Het idee dat alle mensen gelijk geboren worden is de springplank waarop professionele sportprestaties gevierd en gewaardeerd worden. Zonder onze huidige set normen en waarden hadden we sporters niet op deze manier gewaardeerd. Het is allemaal gebaseerd op één mens, één stem.

Is het geen utopie: denken dat er een gelijk speelveld is? Als je geboren bent in Harbin heb je toch minder kansen dan aan een meer in Canada?
Je hebt helemaal gelijk. Dus we hebben nog steeds te maken met een voortdurende strijd om meer eerlijkheid te generen in sport. En het minste wat we kunnen doen is ervoor zorgen dat de grootste indicatoren van succes niet verschillen. Dat er afhankelijk van de starter een verschil is in het resultaat van de race is verbijsterend. Dat kunnen we toch niet hebben? Maar verandering is moeilijk. Het is de kracht van liefde en romantiek in de aanwezigheid van eerlijkheid. Recentelijk vroeg ik op Twitter of cultuur en traditie belangrijker zijn dan eerlijkheid. Dat is de enige vraag die we onszelf moeten stellen.

Wil je altijd op de hoogte zijn van de boeken binnen jouw favoriete genre? Stel je voorkeur in en ontvang updates.

Joeri Joeri