Interview

Interview met Carry Slee over Durf te schrijven!: "Ieder mens heeft een verhaal dat het waard is om op te schrijven"

4-4-2019
Header-carry-slee-durf-te-schrijven

'Carry, ik wil schrijver worden, kun jij me helpen?' Deze vraag wordt heel vaak aan Carry Slee gesteld. Nu komt ze met het antwoord: in Durf te schrijven! deelt ze al haar schrijfgeheimen met jou. Hoe je inspiratie krijgt en jezelf ertoe zet om nu écht de pen op te pakken. Hoe je ervoor zorgt dat jouw verhaal een pakkend begin heeft en dat je personages gaan leven. Hoe je het plot van jouw boek zo spannend, ontroerend of interessant maakt, dat niemand meer kan stoppen met lezen. Met aansprekende opdrachten en grappige anekdotes over haar eigen schrijfervaringen loodst Carry je door het schrijfproces heen. In een toegankelijke stijl laat ze je zien dat er niets zo heerlijk is als schrijven. Aan de slag, durf te schrijven!

Iedereen schrijft tegenwoordig een boek. De bekendste vloggers, presentatoren, sporters… ze hebben duizenden volgers en tóch willen ze een boek in de kast met hun naam er op. Offline. Wat is er zo magisch aan een boek?
“Ja, grappig hè. Het schijnt kennelijk toch hoog in aanzien te staan. In de ogen van veel mensen is het kunst. Het is tegenwoordig ook makkelijker dankzij het zelf kunnen uitgeven. Schrijven kan ook therapeutisch werken. Ieder mens heeft een verhaal dat het waard is om op te schrijven. De kunst is wel dat het mooi wordt opgeschreven. Het boek Boven is het stil van Gerbrand Bakker is daar een goed voorbeeld van; er gebeurt heel weinig in het verhaal, maar het is knap verteld.”

Niet te veel ‘en toen en toen en toen’ bijvoorbeeld?
“Je moet zorgen dat mensen zich in je verhaal kunnen herkennen. Tegelijkertijd moet je als auteur ruimte laten voor interpretatie. Niet te veel vertellen, maar laten zien. Of zoals ze in het Engels zeggen: show, don’t tell. In mijn autobiografische boek Moederkruid krijg je door de ogen van het kind een beeld van de tragiek in het gezin. Juist omdat het kind het heel sec vertelt, zonder oordeel, raakt het je. Door de afstand en door bewust weg te laten hoe erg het voor het kind is wat er gebeurt, krijg je de ruimte om met het kind mee te voelen. Je moet het niet te zielig opschrijven. Iedereen leest met een eigen verleden. Schrijven kan, net als lezen, heel veel voor je doen.”

Je krijgt veel vragen van volwassenen en kinderen over het schrijven. Krijg ook vaak manuscripten toegestuurd?
“Ja, en ik probeer er ook altijd naar te kijken. Ik weet al snel wat er ontbreekt. Meestal wil de auteur te veel vertellen. Daar gaat het meestal fout. ‘Toen kwam ik mijn ex tegen en dat was een heel vervelend moment.’ Je moet het laten vóelen. Begin met beschrijven dat je ergens loopt en hem ziet. Je moet het niet terug vertellen.”

Heb je weleens voorzichtig tegen iemand gezegd dat het misschien beter is om toch maar een ander beroep uit te kiezen dan schrijver?
“Het gebeurt weleens dat mensen in mijn omgeving me iets laten lezen. En dan heb je een enorm dilemma: ik ga niet zeggen dat ik het helemaal niks vind als dat zo is. Dan zeg ik dat ik het aan mijn uitgever zal geven om te beoordelen. Uiteindelijk is dat ook beter, want mensen luisteren toch vaak niet naar mijn advies omdat ze zelf wel mooi vinden wat ze hebben geschreven. Dat kan, maar ik zie hoe het nog veel mooier zou kunnen.”

Wat betekent schrijven voor jou?
“Voor mij is het alles. Ik vind schrijven heel fijn. Om alles wat in me opkomt te laten stromen. Het verzinnen is het leukste wat er is. Het heeft ook een andere kant, want je moet je helemaal openstellen en daarmee maak je jezelf kwetsbaar. Maar dat vind ik juist wel mooi. Ik voel me dan echt verbonden met mezelf en met het leven. Het kan helend werken. Als ik schrijf, hier achter het huis in het tuinhuisje, wil ik ook echt niet gestoord worden. Ik zit zelfs met oordoppen in. Dat doe ik mijn hele schrijfcarrière al. Dan ben ik helemaal afgesloten en kan ik naar binnen toe.”

Kun je daar weer makkelijk uitstappen?
“Vroeger niet, maar nu kan het makkelijker loslaten. Hier is het werk en daar is de rest. Het is wel iets wat ik heb moeten leren. Als ik vroeger moest ophouden, terwijl ik nog niet uit een bepaalde scene was gekomen, dan wilde ik niet van mijn schrijftafel weg voordat ik wist hoe het verder moest. Maar dat gaat natuurlijk niet als je een gezin hebt. ’s Avonds zat ik dan bij de televisie stiekem verder te schrijven. Dan zei Elles: ‘Je zit gewoon te schrijven he?’ Of ’s nachts. Dan bleef ik de hele nacht op tot ik eruit was. Ik kon niet eerder rusten totdat ik wist hoe het verder moest. Dat is namelijk heel eng. Dan durfde ik mijn werkkamer niet eens meer in. Stel je voor dat het niet zou lukken… Dat schrijf ik ook in het boek en ik hoop daarmee dat het mensen geruststelt. Iedere schrijver heeft met die angst te maken. Je creëert iets uit het niets. ‘Als het maar weer lukt.’”

Je schrijft heel lovend over het schrijven. Het verveelt nooit. ‘Er is niets in mijn leven waar ik zo blij van wordt als van schrijven. Het geeft me zoveel energie. Het sleept me door alle moeilijke dingen in mijn leven heen.’ Dit geldt niet voor iedere schrijver. Peter Buwalda lag te huilen op de bank op een zeker moment…
“Het is ook niet altijd makkelijk. Dat ken ik ook wel. Inmiddels schrijf ik zo lang dat ik het vertrouwen wel heb dat, wanneer het even niet lukt, het wel weer terugkomt. Maar vroeger had ik dat vertrouwen ook nog niet. Sommige schrijvers krijgen dat vertrouwen overigens nooit. Reve stak altijd een kaarsje op…”

Hoeveel versies heb je nodig om tot het boek te komen dat je voor ogen hebt?
“Dat verschilt heel erg. Sommige boeken schrijven zichzelf. Maar voor bijvoorbeeld het tweede deel van Juf Braaksel ben ik verschillende keren opnieuw begonnen.”

Dat opnieuw beginnen, lijkt me heel moeilijk.
“Dat is ook moeilijk. Ik had altijd de neiging om alles wat ik schreef, goed te vinden. Anders had ik niks. Het was eigenlijk angst. Elles leest altijd mee en kan heel streng zijn. ‘Nee, dit is niks.’ Maar dat is wel heel goed. Zo iemand heb je nodig. Iemand die objectief en zonder emotie naar jouw tekst kan kijken. Vaak wíl je het zelf niet zien, maar weet je diep vanbinnen wel dat het nog niet goed is. Dat voel je. Het is net als verliefd worden. Je wilt het zo graag. Verliefd op het verliefd zijn, terwijl je voelt dat het eigenlijk niet de ware is.”

In het begin gebeurde het me vaak dat ik met meer personen begon dan nodig was voor mijn verhaal. Dat bleek wel, want halverwege mijn verhaal merkte ik ineens dat ik onderweg één of twee personen was verloren. Mijn redacteur was daar heel streng in. Het zijn er te veel! stond er dan in de kantlijn.

In het fragment hierboven heb je het over jouw redacteur en het belang daarvan. Wat kenmerkt een goede redacteur?
“Voor dit boek, Durf te schrijven!, was Jasper Henderson mijn redacteur. Wat hij zo goed kan, is kritiek geven zonder dat hij je bekritiseert. Hij houdt je in ere. Hij kan zich volledig in mijn teksten inleven en daar vanuit denken, niet vanuit zichzelf. Terwijl hij zoveel verschillende boeken redigeert.”

In het boek heb je het ook over de durf die nodig is om te gaan zitten en te gaan schrijven. De moed die nodig om iets van jezelf in het verhaal te leggen. Dat daar het mooiste boek uit voortkomt. Heb jij jouw mooiste boek al geschreven?
“Ik denk dat ik Moederskruid een van mijn mooiste boeken vind. Spijt! ook. Ik heb meer dan tachtig boeken geschreven dus er zijn boeken die iedereen prachtig vindt en waar ik natuurlijk ook blij mee ben, maar sommigen laten meer indruk achter bij mijzelf.”

Wanneer wist je dat het het juiste moment was om Moederkruid te schrijven?
“Ik had het verhaal al zo’n tien jaar eerder geschreven, in 1995. Toen noemde ik het Kwaaie dagen. Mijn uitgever destijds vond het een draak van een verhaal. Eerst wilde ik dat helemaal niet geloven. Maar nadat iemand hetzelfde zei als de uitgever, heb ik het manuscript weggelegd en er niet meer naar gekeken. Tien jaar later kwam ik het weer tegen toen ik mijn kast opruimde. Ik begon het manuscript te lezen. Na tien bladzijden legde ik het al weg. Pas toen zag ik in dat ik het inderdaad met veel te weinig afstand had geschreven. Het was allemaal zo zielig, veel te sentimenteel. Ik was in de valkuil getrapt om het verhaal vanuit een slachtofferrol te schrijven. Pas zoveel jaren later kon het wel goed opschrijven, omdat ik het grotendeels had verwerkt.”

Heb je in jouw jeugdboeken zoals jij die schrijft, gemist?
“Er waren niet zoveel boeken in die tijd. In de brugklas moesten we Karakter van Bordewijk mee. Volwassen literatuur waar je je eigenlijk niet zo goed tot kan verhouden als puber zijnde. Ik denk dat ik wel fan van mezelf zou zijn geweest als ik toen de boeken in handen had gehad die ik nu schrijf, haha. Maar een boek als dit, een schrijfboek, heb ik ook gemist.”

Welke tip die je zelf geeft, zou jou het meest hebben geholpen?
“Dat je moet blijven proberen. Ik dacht dat iedereen die een boek schreef het zo opschreef dat het meteen goed was. Ik wist niet dat je eindeloos mag proberen. Dat maakt het schrijven zo mooi. Alles kan en mag. Spijt! heb ik bijvoorbeeld eerst geschreven vanuit het slachtoffer. Maar dat werkte niet. Het was mijn eerste 12+ boek. Ik dacht dat ik het niet kon, dat ik alleen voor kleintjes kon schrijven, waar ik mijn carrière mee was begonnen als schrijfster. Maar op een gegeven bedacht ik me dat ik het ook vanuit een ander perspectief kon vertellen en dat bleek wel te werken. Ik moest het allemaal uitvinden.”

Als je nu kijkt met de wetenschap en kennis van nu naar de allereerste boeken, wat zou je anders hebben gedaan?
“Toen kon ik er nog helemaal niks van. Ik kon verhalen vertellen. Maar ze goed opschrijven, is iets anders. Ik had Rik & Roosje geschreven. Mijn uitgever vroeg me wie dat waren. Wie zijn die kinderen? ‘Dat staat er toch?’, dacht ik. Maar ze hadden geen karakter. Uit een verlegen kind komt iets heel anders dan uit een brutaal kind. Ik had dat nog niet door.”

Naar welke auteurs keek jij om van te leren?
“Ik heb veel van Guus Kuijer en Roald Dahl geleerd. Het ‘echte’ schrijven, dat je het bijna kan ruiken.”

Houdt het schrijven van jeugdboeken je jong?
“Ik denk het wel ja. Ik heb veel contact met de lezers. Ze sturen me veel berichten, vragen. Ik weet wat zich in hun hoofd afspeelt.”

‘Ik neem ontslag,’ zei ik tegen de directeur van de school waar ik werkte. ‘Ik wil schrijver worden.’ Hij keek me aan of ik gek was geworden. ‘Moet ik dit serieus nemen?’ Ik knikte. ‘Wil je beweren dat jij je zekerheid opgeeft voor een bevlieging? Ik raad je aan er nog eens goed over na te denken.’ Wie ik het ook vertelde, iedereen reageerde sceptisch: wist ik wel hoeveel manuscripten er per dag op het bureau van een uitgever vielen? Stapels! En allemaal van mensen die ook dachten dat ze konden schrijven. Ik was op de middelbare school toch geen uitblinker in Nederlands, of wel? Daar heb je talent voor nodig. Zoiets kun je niet leren. Elles, mijn partner, was de enige die in me geloofde, mij zelfs stimuleerde om de stap te zetten. Ik wist dat iedereen het zei om mij voor een grote teleurstelling te behoeden. Maar het gevoel vanbinnen dat ik schrijver wilde worden was zo sterk dat ik toch mijn ontslag nam.

Je boeken voor de jeugd kenmerken zich onder meer door de zware onderwerpen die je bespreekbaar maakt. Zijn er onderwerpen die je niet wilt of durft aan te raken?
“Nu wel. Behalve over politieke zaken, dat ligt te ver weg. Vroeger durfde ik dat niet, het was eng. Ik was bang dat ik het hele onderwijs over me heen zou krijgen als ik een kind dood zou laten gaan in Spijt!. Het was een hele andere tijd. Ik was één van de eersten die over dergelijke onderwerpen voor de jeugd schreef. Ik heb echt getwijfeld, maar wist dat ik het toch moest doen. Ik moest laten zien wat de gevolgen van pesten kunnen zijn. Bovendien was het verhaal gebaseerd op een werkelijk voorval. Ik zou het betreffende te kort doen wanneer ik het verhaal niet zou laten eindigen zoals dat in de werkelijkheid was gebeurd. Ik ga wel ver. Met Moederkruid was ook niet iedereen even blij…”

Dat schrijf je inderdaad: ‘Ik beschreef mijn ouders en mijn grootouders. In die tijd leefden ze al niet meer, anders had ik het niet gedaan. Het leven van mijn ouders was al zo triest, ik had ze niet ook nog eens willen kwetsen. Maar achteraf bleek dat ik toch een zus van mijn moeder kwetste door zo open over haar familie te schrijven.’ Hoe is dit afgelopen?
”Mijn zus betekent heel veel voor mij. Wij hebben samen die jeugd beleefd. Haar heb ik het manuscript op voorhand laten lezen. Als zij het niet had gewild, dan had ik het verhaal niet gepubliceerd. Maar ze vond het een goed plan en ze heeft zelfs meegedacht. Ik weet dus ook niet helemaal zeker hoe het zou zijn gegaan wanneer mijn zus zou hebben gezegd dat ik het boek níet had mogen uitgeven… ik ben toch echt een schrijver in hart en nieren. Maar ik geloof dat die tante er nooit begrip voor op heeft kunnen brengen, nee.”

Heb je daar spijt van?
“Nee. Het is mijn verhaal. Mijn zus en ik hebben het zo ervaren. Ik begrijp dat het kwetsend kan zijn, maar het was zoals ik het heb beschreven. Je bent schrijver of je bent het niet.”

Zit er een grens aan tot hoe diep je je in iemand inleeft, tot wat je toelaat?
“Ik denk dat er geen grens is. Hoe dat bij andere schrijvers werkt, weet ik niet, maar ik kan me zo voorstellen dat die ook een beetje moeten huilen als ze iets verdrietigs opschrijven, toch? Anders kan het toch nooit écht worden. Ik heb ook weleens de slappe lach hoor. Maar als je dat allemaal niet wilt, als je het niet zo dichtbij durft te laten komen, dan moet je het misschien maar niet doen.”

"Ik kon goed verzinnen. Daar was ik mijn hele jeugd al mee bezig geweest. Ik verzon elke dag verhaaltjes en dan pakte ik een boekje en schreef het verhaal op. Daarna las ik de verhaaltjes voor aan mijn poppen en mijn knuffels. Zogenaamd, want ik was een kleuter en kon nog helemaal niet lezen en schrijven. Het was een soort vlucht, omdat het bij ons thuis niet gezellig was. Niet fijn natuurlijk, maar daardoor heb ik wel mijn fantasie ontwikkeld. In die tijd is de schrijver in mij geboren."

Hoe oud was je toen je echt bewust wist dat je schrijver wilde worden?
“Toen zat ik inmiddels op de middelbare school. Al was ik bepaald geen uitblinker in Nederlands, dat werd gegeven door mevrouw Den Doolaard. De zus van schrijver A. Den Doolaard. Ze vond zijn boeken slecht. Ze vond ze verschrikkelijk. Het was geen literatuur. Het was vullis. Misschien omdat het te populair was. Ik weet het niet. Maar ze herkende waarschijnlijk iets ervan terug in mijn opstellen. Die waren nooit goed in haar ogen. Ze had het altijd over ‘stoplappen’. Het woord ‘helemaal’ was in haar ogen een stoplap. Dat mocht niet in een opstel voorkomen. Als dat wel gebeurde, had je al meteen een onvoldoende te pakken. Ze zei nooit eens ‘wat heb je dat leuk geschreven’.”

Was het beeld van een schrijvers toen ook heel anders dan nu? Ze stonden verder van de lezer af.
“Het beeld was dat een schrijver op een kamertje met een kaars aan het werk was. En je zag Reve op tv en die was zo bijzonder en knap… je dacht dat dat de norm was, dat je daar aan moest voldoen. Je moet erachter komen wie jíj bent als schrijver.”

En als jij dat voor jezelf zou omschrijven?
“Een realistische schrijver. Als je mijn boeken leest, weet je: ‘dit is een echte Carry Slee.’”

Hoe ga je zelf om meningen, meningen over jou en jouw boeken?
Carry Slee mag er nu zijn. Maar vroeger was ik een bedreiging denk ik. Ik had succes. En dat hoorde niet bij literatuur. Niet op die manier in ieder geval. Paul van Loon, van De Griezelbus, kon het ook nooit goed doen. Critici zijn, waren in ieder geval, vaak mensen die zelf wilden schrijven.”

Hoe liet je dat jouw ambitie niet in de weg staan?
“Door het onderwijs werd ik gedragen. Zij zagen dat ik kinderen aan het lezen bracht. En ik won de Kinderjury vele malen achter elkaar. Dan interesseert je de mening van een persoon niks meer. Het gaat om wat de kinderen mooi vinden. Daar doe je het voor.”

Je schrijft met een pen, als dat niet meer gaat zijn er spraakprogramma’s. Wat is je grootste angst?
“Mijn gedachten verliezen. Ik heb het proces van dementie nu bij twee mensen meegemaakt. Het is echt heel erg. Ja, mensonterend. Ik ben niet bang voor doodgaan. Ik heb kleinkinderen. Het allermooiste naast schrijven dat er is. Oh kijk! Ze komen er net aan. Vannacht zijn ze hier geweest. We sliepen met z’n vieren in een bed. Geen oog dicht gedaan. Kiezen? Dat is Sophie’s Choice. Ik heb heb het allemaal nodig om gelukkig te zijn.”