Header met boek essay
Header met boek essay
Interview

Özcan Akyol schreef het Boekenweekessay Generaal zonder leger: “Het is het gehuil van een enkeling, maar daar heb ik schijt aan”

06-03-2020

Generaal zonder leger doet veel stof opwaaien. Er wordt al veel over gezegd en geschreven, en een aantal boekhandelaren willen zelfs het boek verbieden. Maar Özcan, ook wel Eus genoemd, wordt er niet warm of koud van: “Het is toch geen Noord-Korea. Het is echt gestoord dat je een boek wil verbieden, vooral met dit thema.”

Zo, je essay is niet niets. Ik heb zelf enorm genoten tijdens het lezen, maar hoe was het voor jou om te schrijven?
“Eigenlijk hetzelfde als voor jou om te lezen. Onbewust was ik al een aantal jaar bezig met dit essay. Eigenlijk vanaf het moment dat ik de literaire wereld in stapte. Eerst vond ik het een mooie wereld met vooruitstrevende mensen, progressieve mensen. En toen belandde ik van de ene teleurstelling in de ander. Het was helemaal niet de wereld van de vrijdenkers. Al die dingetjes ben ik toen gaan noteren, in mijn zwartboek van de literatuur. Over de corrupte jury’s en recensenten. Over de schrijvers die meer aandacht dan anderen kregen omdat ze bevriend waren met redacteuren of columnist bij een krant zijn.”

“Ik was eerst afgestompt, dit is een verrotte wereld. Een monster waar je geen strijd van wint. En het voelde ook niet als noodzaak om dit te vertellen. Ik wilde op eigen benen staan, en dat is gelukt. Toen kwam de vraag van de CPNB om het essay te schrijven met dit thema. Al die tijd had ik dit onbewust zitten voorbereiden. Eerst dacht ik dat het te incrowd was, maar ik zit inmiddels niet meer alleen in de boekenwereld. Ik schrijf ook voor kranten en werk bij de tv, daardoor is het ook begrijpelijk voor andere mensen.”

Hoe groot is de eer voor jou om dit keer het essay te mogen schrijven?
“Heel groot. Het geschenk schrijven is natuurlijk een ultieme droom. En het essay is een soort eerste stap. Ik voelde me vereerd, het is heel bijzonder. Ik kreeg ook veel leuke reacties van boekhandelaren, krijg veel interviewverzoeken. Misschien heeft het te maken met wat ik heb geschreven, dat zorgt voor reuring.”

Maar je wil de boekenwereld wel opschudden, toch?
“Ja, maar wel functioneel. Ik wil iedereen wakker schudden, niet alleen in de boekenwereld. Het is een vastgeroest zooitje. En ik kan dat goed vertellen van binnenuit. Ik heb niet de illusie dat ik de boekenwereld hiermee kan veranderen. Het is al jaren zo, en daarom heb ik het zo opgeschreven. Zonder iemand te sparen.”

Wat zijn de reacties tot nu toe op je essay?
“Er zijn twee kanten: ene kant vindt men het geweldig en fantastisch. Broodnodig. Dat komt vanuit de TV-wereld, maar ook de vooruitstrevende en commerciële boekhandelaren en docenten. En links en rechts is er wat chagrijn. Boos om wat ik blootleg. En dat komt van een enkele boekhandel en een inwisselbare recensent. Een boekhandel heeft ook boos naar de CPNB gebeld, gezegd dat ze het essay niet mochten publiceren. Maar het is toch geen Noord-Korea? Het is zo tegenstrijdig. Iedereen mag vinden wat hij of zij wil en ze zijn zo vooruitstrevend Maar dan komt er iets dat ze niet leuk vinden en zijn ze opeens boos. Het is echt gestoord dat je een boek wil verbieden, vooral met dit thema.”

En toen je het inleverde bij CPNB?
“Ze waren zenuwachtig toen ik het inleverde. Eerst hebben ze afzonderlijk gereageerd en pas na twee weken kwam een collectieve reactie, maar ze staan achter me. Ze vinden het wel heftig, vooral omdat er boekhandelaren boos aan het bureau stonden. Het is lastig om daar mee om te gaan, want als ze duidelijk mijn kant kiezen, dan schofferen ze de boekhandelaren. Maar als ze die kant kiezen, dan staan ze niet achter hun auteur. Maar ik moet wel zeggen dat het echt niet alle boekhandelaren zijn. Dat kleine clubje wordt nu in de media te groot gemaakt. Er is veel meer lof dan chagrijn. Het is het gehuil van een enkeling. Maar daar heb ik schijt aan.”

Je essay is eerlijk en licht cynisch; ben jij boos op de boekenwereld?
“Niet boos. In het begin vond ik het lachwekkend. ‘Kijk ze eens gaan, rommelen in de marge.’ Het ging me wel storen toen ik de cijfers van ontlezing zag. Fictie verliest terrein, maar de boekenindustrie doet schamper over bepaalde boeken. Lezen heeft mijn leven verrijkt. En ik zie het als mijn taak als schrijver, essayist of columnist om andere kennis te laten maken met dat plezier. Dit probleem trek ik mij aan. Daarom ga ik wekelijks naar een middelbare school om met jongeren te praten over literatuur. Als ik ze vraag wie lezen haat dan gaan tachtig tot negentig procent van de vingers de lucht in.”

Je hebt het in je essay ook over Lucinda Riley. Een boekhandelaar praat niet positief over haar, en jij neemt het voor haar en haar lezers op. Het is meer dan oké dat haar boeken gelezen worden, want er wordt gelezen! Maar je hebt het ook over de ‘onaangepasten’, de rebelse schrijvers. Lucinda Riley is geen rebelse schrijver. Hoe rijmen deze twee stellingen met elkaar?
“Het een sluit het andere niet uit. Er moeten juist veel boeken geschreven worden, die bereiken ook het publiek. Ik zeg niet dat iedereen rebels of een dwarsdenker moet zijn. Riley wordt alleen met de nek aangekeken, maar dat is kinnesinne richting haar. Het is geen pleidooi om je als een mafketel te gedragen, maar er mag meer variatie zijn.”

Je zegt nu dat er veel boeken geschreven worden, maar over de schrijvers van jouw generatie ben je niet te spreken.
“Absoluut, nieuwe schrijvers worden bijna niet gelezen. Maar gaan dan wel heel pedant vertellen wat werkt en wat een goede smaak is. Wat is echte literatuur? Maar zelf verkopen ze maar negenhonderd exemplaren van hun eigen roman. En dan toch aan Nederland dicteren in de krant wat zij goed en slecht vinden, alleen maar omdat ze bevriend zijn met de redacteur. Ik vind dat je pas recht van spreken hebt als je jongeren aan het lezen krijgt. Hoeveel 15-jarigen heb jij aan het lezen gekregen? Je kunt 30 jaar vertellen wat goed is, maar als je geen 15-jarige een boek, of het nou voetbalboeken of thrillers zijn, aan het lezen hebt gekregen, dan heb je geen recht van spreken. Mijn irritatie zit in de mensen die het podium nemen, maar die het recht niet hebben. Vooral mijn generatiegenoten: ga maar eerst iets van belang schrijven. Al is het een column, een essay, een bundel; het hoeft echt geen roman te zijn. Doe iets! Dan mag je pas praten. Nu klopt de balans niet. Je hebt amper de baard in de keel, maar vertelt wel iedereen hoe de wereld werkt. Rot op, ga iets mee maken. Jouw boekenkennis is niet meer waard dan de levenservaring van een ander.”

Het raakt je wel.
“Ja, ik vind mijzelf bozig overkomen. Het raakt mij ook wel. Het raakt mij dat mensen buitengesloten worden. We willen toch dat de boekenwereld draait? Wat voor jongeren leiden we nu op? Een groot gedeelte is functioneel analfabeet? Het is nu allemaal navelstaarderij. Als je nu een literaire held zou willen zoeken, waar vind je die dan? In muziek en cabaret staan nieuwe mensen op, die weer met hun werk het land veroveren? Wie zijn dat in de boekenwereld. Enige die ik nu kan bedenken is Rutger Bregman. Maar recensenten gaan dan zitten te bepalen wat gelezen moet worden. Lezers laten zich niet grijpen door recensenten. Ik begin weer over Lucinda Riley, maar die is pas veel besproken nadat zij al veel exemplaren verkocht had. Daarvoor kreeg ze geen aandacht in de pers. Dat stoort mij. Er is elke week een literaire prijs. Slaat nergens op. We blijven elkaar maar feliciteren. Denk maar niet dat Riley een beurs kreeg om boeken te schrijven. Maar miljoenen mensen lezen wel haar boeken. Het is obstructie in de literatuur, maar mensen lezen haar boeken. Dat is het belangrijkste. We moeten boeken weer sexy maken.”

Daar heb je weer die term: literatuur. In je essay stel je die term ook aan de kaak. Kan er überhaupt een blauwdruk zijn voor de term literatuur?
“Nee, het is puur de onderbuik van puriteinen, die altijd podium pakken. Er is geen strikte omschrijving van wat literatuur is, die hele discussie is raar.

Moeten we die term nog gebruiken?
“Het kan wel, maar je moet het niet dogmatisch verkopen. Dit is wel literatuur en dit niet. Dat doen we toch ook niet bij muziek? Dit is wel muziek en het ander niet. Het is beide een liedje. Die verschillen mogen er zijn. Ja, als je tekst vol staat met clichés dan is het lectuur, maar we mogen wel wat minder streng zijn. Het een moet het ander niet uitsluiten.”

Wat is voor jou het laatste boek dat jezelf gelezen waarvan jij echt vond dat er een vinger op de zere plek van de samenleving werd gelegd?
“Ik las laatst Mens/Onmens van Bas Heijne. Er moeten meer van dat soort mensen komen die op een essayistische manier onderwerpen toelichten. Dat is heel waardevol en wordt ook goed gelezen. Na aanleiding van de televisieserie bij die Boekenweekessay heb ik veel fictie gelezen van de gasten. Leon de Winter tipte De Weg van Cormac McCarty. Vond ik echt een mooi boek. Het ging over overleven en hoe ver je gaat om je eigen familie te redden.”

Je raakte zelf betoverd door literatuur en door de ‘onaangepasten’. De boeken die iets teweegbrachten. Zie jij jezelf als zo’n schrijver?
“Nee, ik vind mijzelf geen onaangepaste schrijver. Maar wat ik schrijf dat zorgt bijna altijd voor rumoer. Ik vind mijzelf een normale jongen, een brave burger. Ik tel alle dagen mijn calorieën; zo ongepast ben ik niet. Maar misschien als je tegenwoordig normaal doet ben je onaangepast, omdat iedereen zo raar doet. Ik voel me ook niet onaangepast met het essay. Ik heb gewoon opgeschreven zoals het is. Enige dat ik kan zeggen: ik heb geen last dat ik door iedereen aardig gevonden wil worden. En ik deins niet terug voor ongemak.”

Wat ga je zelf doen om ervoor te zorgen dat het gat tussen de boekenwereld en de lezer te verkleinen?
“Het is megalomaan om te denken dat ik dit in mijn eentje kan. Ik ben maar een eenvoudige schrijver. Ik heb op mijn eigen kracht laten zien dat het systeem niet deugt, simpelweg door te observeren en noteren. Ik ben niet uit op een gevecht. Ik ben geen medewerker van de CPNB. Ik heb een essay gepubliceerd, en ga daarna weer tv-programma’s maken, columns tikken, romans schrijven. Het is nu aan de industrie om te kijken hoe zij daar mee omgaan.”

© Foto van Anja van Wijgerden