Grand Hotel Europa Ilja Leonard
Interview

Interview met Ilja Leonard Pfeijffer over zijn nieuwste boek: Grand Hotel Europa

13-12-2018

‘De toekomst van Europa is het Europa dat nu al een realiteit is. Europa is het recreatiegebied voor de rest van de wereld,' zegt een van de personages in Grand Hotel Europa. Het is – overdrachtelijk – ook een zelfdiagnose. Alle personages in deze roman zitten immers op verschillende manieren vast aan hun verleden. Voor toekomst is geen plek meer. Het Avondland is vergrijsd en niet productief. Geschiedenis is het voornaamste dat Europa nog te bieden heeft. En geschiedenis trekt toerisme. Maar dit verontrustende en weemoedige gegeven krijgt in Grand Hotel Europa zijn beslag in een wervelende roman met een tragische liefdesgeschiedenis als hoofdmoot. Maar niet alleen de mens is zijn eigen gevaar, ook de natuur dringt zich ongewenst op. Grand Hotel Europa is een roman die leest als een zinnelijk reis- en geschiedenisboek. Janneke Siebelink, hoofdredacteur van Lees Magazine, reisde af met Ilja Leonard Pfeiffer naar Venetië voor dit interview over zijn nieuwe meesterwerk.

We gingen zitten op het terras van Caffè Lavena. We hadden ook Florian of Quadri kunnen kiezen om ons te laten afzetten in naam van de nostalgie. Ook daar konden we er zeker van van zijn, dat deze toeristische exploitatie met een klinkende naam en een elegant verleden met flair en stijl zou worden uitgevoerd. We waren daarvoor gekomen, en voor de romantische illusie om onze nieuwe woonplaats Venetië te zien door de ogen van de illustere toeristen die ons waren voorgegaan, zoals Stendhal, Lord Byron, Alexandre Dumas, Richard Wagner, Marcel Proust, Gustav Mahler, Thomas Mann, Ernest Hemingway, Rainer Maria Rilke, en die met zekerheid op deze zelfde stoelen hadden gezeten om hetzelfde uitzicht beroemd te maken. Met overtuiging bestelden we twee maal een spritz, in de wetenschap dat die achttien euro per stuk kostten en dat we er daarna nog zeker twee zouden bestellen.

En daar zijn we. In Venetië. Waar het verhaal begint. We liepen er zojuist langs, Caffè Florian. In de voetsporen van oude, beroemde toeristen treden. Is dat iets wat vooral in Venetië voorkomt?
“Het verlengde toerisme. Dat is zeker iets van Venetië. Naar het café op het San Marco gaan om te kijken naar het tafeltje waar Mahler aan zat. Het is romantisch en nostalgisch. Wat ook weer heel wonderlijk is: zij waren in die tijd ook toeristen. Tegelijkertijd hebben we een hekel aan toeristen. Wij reizen.”

“Wat ons van hen onderscheidt, is niet eens zo duidelijk, maar dat er een fundamenteel onderscheid tussen hen en ons bestaat, is voor ons een zekerheid die wezenlijk is en van existentieel belang, en die raakt aan onze identiteit. Zij dragen korte broeken en teenslippers, en wij niet. (…) Het is net zoals de beroemde Kretenzer paradox. Die luidt: ‘Alle Kretenzers liegen,’ zei een Kretenzer.’ De paradox is onoplosbaar omdat degene die uitspraken doet over de groep, er eveneens deel van uitmaakt, waardoor de uitspraak ook geldt voor hemzelf, hetgeen de geldigheid van de uitspraak over de groep op losse schroeven zet.” Zegt de hoofdpersoon in het boek.
“Wij willen in geen geval toerist zijn. De toerist is altijd de ander. We willen de plekken vermijden waar andere toeristen zijn. Maar vervolgens treden we in de voetsporen van toeristen van 100 jaar geleden. Wij vinden dat dan exclusief, want wij weten wie Hemingway was, die andere domme toeristen niet natuurlijk. En toch… ik vind het wel leuk. Ik vind het leuk om me voor te stellen hoe Gustav Mahler daar aan dat tafeltje zat. Ik zou niet in een andere tijd willen hebben geleefd, nee. Dan zou ik weer nostalgisch zijn geweest naar weer een vroegere periode.”

Je vertelde daarstraks, toen we op het San Marco plein stonden, hoe de futuristen ruim 100 jaar geleden op een zondagochtend in 1910 vanaf de Campanile, de hoge klokkentoren, duizenden pamfletten strooiden over de hoofden van de onthutste kerkgangers. In die pamfletten keerden ze zich ‘tegen het passéistische Venetië’. Alle kanalen moesten worden dichtgegooid en de oude stad moest plaatsmaken voor een futuristisch Venetië, vol verkeerswegen, viaducten en moderne industrieën. De gondels moesten worden verbrand. Stel dat daar indertijd gehoor aan was gegeven, zou het Venetië hebben geholpen?
“Venetië zou dan nu misschien wel een echte stad zijn geweest, met een industrie en daarmee een zekere onafhankelijkheid. Maar dan was het weer niet dat sprookje geweest wat het nu is. Het is heel dubbel; wat wij zo mooi vinden aan Venetië is dat het ongeschonden is gebleven.”

‘Mooie verhalen lopen nooit goed af,’ zegt de Ilja in Grand Hotel Europa. Geldt dat ook voor Venetië?
“Ja, dat zou je wel kunnen zeggen ja. Ik vrees dat het verhaal van Venetië niet goed af zal lopen. We zijn hier in een zinkende stad. En wat nog absurder is: het stijgende water, het acqua alta, is een toeristische attractie op zich geworden. Mensen banjeren met hun gekleurde wegwerplaarzen door het water op het San Marco. Maken dansjes erin en maken foto’s met hun selfie stick. Ze zullen teleurgesteld zijn wanneer er géén water over de kade stroomt.”

Is dit de toekomst van heel Europa, dat het een groot pretpark wordt?
“Dat is een de vragen die ik wil stellen in het boek. Net als La Superba is Grand Hotel Europa een geëngageerd boek. Betrokken in die zin dat het iets wil zeggen over de tijd waarin we leven. Over de problemen die er nu zijn. Over globalisering. Over Europa. Over toerisme. Zoals La Superba een boek was over migratie. Ik wil graag een beetje bewustwording creëren, maar niet op een pamflettistische manier. Venetië is een stad die niets anders heeft dan zijn verleden. De vraag is of dat mag gelden als metafoor voor de rest van Europa. Europa wordt al steeds minder serieus genomen. In de grotemensenwereld waar het gaat om economische en militaire slagkracht, is Europa een minor player. In China, Brazilië, gaan er maanden voorbij dat er niet aan Europa wordt gedacht. De voorsprong die Europa een tijdje heeft gehad met dank aan de industriële revolutie, die is inmiddels wel ingelopen. “Europa verdrinkt in zijn historie. Er is zo veel verleden in Europa dat er geen plek meer is voor toekomst,” schrijf ik. Dat zie je hier in Venetië heel duidelijk; er is letterlijk geen plek voor iets nieuws.”

Griekenland en Italië zouden vervallen tot derdewereldlanden wanneer het toerisme zou stoppen, zo schrijf je. Zijn het gevangenen van hun eigen decor?
“Eigenlijk wel. En dat decor is letterlijk een hinderpaal. Hier in Venetië kun je niets meer bouwen, want het is allemaal erfgoed, oud en belangrijk. Dus daar hadden de futuristen wel gelijk in. Maar we wíllen het ook niet veranderen. Het is te mooi. Te belangrijk. Ik vind ook niet dat je het verleden moet opofferen aan de industrie. Bovendien is dat toch een gemist station. We gaan geen staalfabrieken meer bouwen in Europa. Dat kunnen ze in China veel beter. Europa zal zichzelf opnieuw moeten uitvinden.”

Kunnen we dat?
“Ons verleden trekt mensen. Als de ontwikkelingen zo door gaan, worden we een recreatiegebied voor de productieve landen.”

Maar wat is daar eigenlijk zo erg aan? Toerisme voorziet ook in een inkomen voor heel veel mensen.
“Dat is de vraag. Misschien wel. Misschien niet. En of het waar is dat toerisme goed is voor de economie, dat is ook zeer de vraag. Gaat dat geld wel naar de juiste mensen? In Amsterdam is daar onderzoek naar gedaan – en Amsterdam kun je al aardig met Venetië vergelijken – wat blijkt: het merendeel van de ondernemingen die van het toerisme profiteren, in buitenlandse handen is. Madame Tussauds en The Amsterdam Dungeon zijn van Merlin Entertainment, dat ook onder andere Legoland en de London Eye exploiteert. Het is eigendom van het Amerikaanse private-equitybedrijf Blackstone Capital Partners. Het Amstelhotel is in 2014 voor acht ton per kamer verkocht aan een investeerder in Qatar. Het Krasnapolsky is eigendom van Axa. De rondvaartboten van de Canal Company zijn van een Zweeds bedrijf. De inkomsten vloeien weg naar het buitenland. Ook is het van belang dat er onderscheid wordt gemaakt tussen gemeenschapsgeld en privaatgeld: er wordt heel veel gemeenschapsgeld. Belastinggeld, geïnvesteerd in de toeristische infrastructuur. Er moet extra politie worden ingezet vanwege al die dronken, beroofde en verdwaalde toeristen. Gemiddeld tien keer per dag rukt er een ambulance uit voor een medisch spoedgeval met een buitenlandse toerist. De stadsreiniging heeft aanzienlijk meer te doen… Er staat weliswaar 60,8 miljoen euro aan toeristenbelasting tegenover, dekt dat kosten niet. Gemeenschapsgeld wordt ingezet voor private winsten. De gemeente verliest geld op toerisme. Barretjes en restaurants profiteren? Ook die zijn vaak in buitenlandse handen. Daarbij gaat ook om de ziel van de stad. Dat is niet in cijfers te vangen.”

Hoe kijken de Venetianen hier zelf tegenaan?
“Die vinden het verschrikkelijk en trekken steeds meer de stad uit. Als het zo door gaat, woont er geen enkele Venetiaan meer in 2030. Iedere dag wordt Venetië overspoeld door 18 miljoen toeristen per jaar. Dat zijn er gemiddeld 50.000 per dag, ongeveer evenveel als het aantal bezoekers van Disneyland in Anaheim, California. Heb je net ergens een supermarkt gezien? Of een bioscoop? Toeristen doen geen boodschappen en gaan niet naar de film, dus dat soort ondernemingen gaan failliet. Een inwoner kan zelf niet eens meer fatsoenlijk tomaten of en pak melk kopen. De gondelaars verdienen hun geld, net als de obers in hun rockkostuum bij Caffè Florian. Maar het heeft iets vernederends. Ik denk niet dat het iemands droombaan is. En tegelijkertijd is het beter dan geen werk. In Venetië is het extreem.

Het gaat om unieke, authentieke ervaringen die een verhaal opleveren. Daarom is elke reisbestemming onmiddellijk verpest zodra er andere toeristen opdoemen. Dan is de beleving die je daar zou kunnen hebben in één klap zowel van haar uniciteit als van haar authenticiteit beroofd. Maar omdat alle toeristen elkaar in hun jacht op een authentieke ervaring proberen te vermijden, wordt het steeds moeilijker om een locatie te vinden die nog niet door de aanwezigheid van de kort gebroekte concurrentie is aangetast.

Authenticiteit is een woord wat veel valt in jouw boek. Hoe authentiek is het woord authenticiteit?
“Op een bepaalde manier gaan al mijn boeken daarover. Over de relatie tussen fantasie en werkelijkheid. Authenticiteit is iets problematisch. We willen allemaal een authentieke, een bijzondere ervaring. Als landarbeider in de 19de eeuw, die iedere dag met handen in modder staat, ben je niet bezig met authenticiteit. Het is geen issue. Je hebt er geen tijd voor, je denkt er niet aan. Wij hongeren naar authenticiteit in dit merkwaardige, virtuele tijdperk. Facebook lijkt wel gemaakt te zijn om authenticiteit uit te kunnen dragen. Facebook vraagt je: Wat ben je aan doen? Waar denk je aan? Het vraagt om snapshots van je leven, van de werkelijkheid. Maar wat er gebeurt is dat iedereen zijn imago oppoetst op social media. Privacy? Ja, dat is nog een ander verhaal. Dat bestaat niet meer in de openbare ruimte. Zuckerberg zei het een paar jaar geleden: “Privacy? Get over it.”

Zelf zou ik het liefst miljoenen mensen bereiken met mijn boeken en zelf totaal anoniem zijn, maar helaas kan dat niet. Je moet jezelf laten zien, iets van jezelf geven. Het lijkt soms alsof het meer om de persoon achter een boek of kunstwerk gaat, dan om het werk zelf.”

Alles wat mooi is en bijzonder, is reeds ontdekt. Kun je het mensen kwalijk nemen dat ze iets willen zien dat mooi is?
“Toeristen hebben gelijk. Je hebben groot gelijk dat ze naar Venetië komen om haar schoonheid te zien. Het zijn de plekken waar jij ook naartoe wilt. Dat is het probleem.”

Clio, de geliefde van de hoofdpersoon, oppert in jouw boek de toegangsprijzen voor de musea drastisch te verhogen. “Want het was toch absurd en schandalig, zo zei ze, dat we de grootste kunstschatten van de mensheid te grabbel gooiden voor de prijs van een Big Mac en een Diet Coke? Ze dacht aan een prijs van 400 euro voor een toegangskaartje. Wellicht was dat nog niet voldoende en moesten ook verplichte toelatingsexamens worden overwogen of admissie die uitsluitend werd verleend na een schriftelijk gemotiveerd verzoek.” Waarom dit idee niet toepassen voor steden als Venetië?
“Bij een museum zal het al heel lastig zijn om dit te realiseren, laat staan bij een stad; het druist in tegen ons idee dat in een stad iedereen welkom is. Dat maakt het erg gecompliceerd. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe je een stad als Venetië zou kunnen redden.”

Om Venetië van de verdrinkingsdood te redden, is er in ieder geval het project Mose: “Dit ambitieuste project bestaat uit een mobiele stormvloedkering die de lagune bij hoogwater afsluit van de Adriatische Zee. Toen het plan in 1981 werd gelanceerd, sprak men vol trots van een waterbouwkundige meesterproef.” Heb je hier vertrouwen in?
“Weinig. De ingebruikneming van Mose is op dit moment voorzien voor 2022, maar volgens de meeste experts is die schatting te optimistisch. Volgens de originele plannen had het in 2011 klaar moeten zijn geweest. Met de bouw van de basiliek van San Marco werd begonnen in 1063. In 1094 werd het voltooid. In de elfde eeuw had men 31 jaar nodig om een wereldwonder te construeren dat tot op de dag van vandaag miljoenen bewonderaars trekt. Maar een stormvloedkering krijgen we anno nu niet voor elkaar. Daardoor zouden we de indruk kunnen krijgen dat in het verleden alles beter was. Het wordt helaas ook steeds bevestigd. Het is typisch Europees om zo te denken.”

"‘Dat is de verkeerde vraag,’ zei Patelski. ‘Het zou evenmin zinvol zijn zich af te vragen of mensen gelijk hebben om zich bedreigd te voelen door water. Het water komt. Uit zee, van de bergen of uit de hemel. Het water valt onmogelijk tegen te houden. Wanneer we het water de vrije loop laten, is het potentieel desastreus, maar wanneer we erin slagen het in banen te leiden en gecontroleerd over onze akkers te laten vloeien, is het een bron van leven en rijkdom. Migratie valt evenmin tegen te houden. Wie zo denkt, kent de geschiedenis van de mensheid niet. Sinds we op twee benen kunnen staan, zijn we gaan lopen. Vanuit onze wieg in Afrika hebben we de continentenbevolkt. Migratie is het wezen van de mens. Wie denkt dat hij de huidige migratie vanuit Afrika kan stoppen, kent de wanhoop van de emigranten niet. Wie bereid is zijn leven op het spel te zetten, laat zich door niets tegenhouden. Dus de vraag of dat een bedreiging vormt, is improductief. Als immigranten blijven komen, is het nuttiger om zo snel mogelijk te beginnen na te denken over de vraag hoe wij die stromen kunnen kanaliseren en op zo’n manier inzetten dat zij ons tot voordeel zijn."

In Grand Hotel Europa schrijf je ook: Ik overwoog om met de betogers in discussie te gaan en de stelling te verdedigen dat immigranten uit Afrika niet het probleem vormden, maar de oplossing zouden zijn. (…) Met een flinke Afrikaanse bevolkingsgroep in de calle zou er behoefte ontstaan aan bakkers, groenteboeren en winkels die ook iets anders verkopen dat plastic gondels met knipperlichtjes en authentieke carnavalsmaskers van Chinese makelij. Ze zouden kleren nodig hebben, meubels, potten en pannen, en ze zouden af en toe naar de kapper willen. (…) Het zou een manier zijn om de toeristische monocultuur te doorbreken en economische diversiteit te herstellen.
“Ik denk dat het voor heel Europa goed zou zijn om vluchtelingen niet alleen maar te zien als een probleem, maar als deel van de oplossing. Grand Hotel Europa gaat erover hoe Europa vast zit aan zijn verleden en dat niet alleen, maar ook heel erg aan het vergrijzen is.”

‘Het zal u zijn opgevallen dat het hotel hier en daar sporen vertoont van achterstallig onderhoud.’ Zo zegt meneer Montebello, de majordomus van Grand Hotel Europa, wanneer hij de hoofdpersoon rondleidt. Als lezer kun je je niet aan de indruk onttrekken dat het hotel een metafoor is voor het continent Europa.
“Die indruk is juist. En kamer 17 waar de hoofdpersoon verblijft, wat daar de betekenis van is? Wat denk jij zelf? Laat ik het zo zeggen – er zijn vrij veel van dit soort getallen in Grand Hotel Europa – áls het een geheime kabbalistische betekenis zou hebben, dan laat ik het liever aan de lezer over om het te duiden.”

Laat je ook liever aan de lezer over hoe de verschillende personages die het hotel bevolken betekenis geven aan het verhaal?
“Ze vertegenwoordigen in ieder geval niet de verschillende landen binnen Europa, ik zie ze meer als verschillende soorten Europeanen. De Franse dichteres Albane staat bijvoorbeeld niet symbool voor Frankrijk. Ze is een intellectuele vrouw die je overal in Europa zou kunnen treffen. Alle Grieken zijn ook zeker niet als de scheepsmagnaat Yannis, de grote Griek in Grand Hotel Europa. De karakters staan voor verschillende denkwijzen. Dat is het voordeel van en roman ten opzichte van een essay bijvoorbeeld. Dankzij de verschillende karakters, kan ik alle denkbeelden ten tonele voeren. Ik kan vele verhalen naast elkaar laten bestaan. In een essay zou het dan eerder een betoog worden. Toerisme, massatoerisme, waar Grand Hotel Europa grotendeels over gaat, is een ingewikkeld probleem. Ik zou er geen opiniestuk over kunnen schrijven. Ik heb geen oplossing. Maar ik wil wel graag mensen aan het denken zetten, vragen stellen, en alle facetten van het vraagstuk tonen. De politiek in? Nee, daar ben ik niet praktische genoeg voor.”

Voor welk karakter voel je de meeste sympathie?
“Montebello. Dat is mijn favoriet. Hij krijgt uiteindelijk een soort decoratieve functie, wanneer er een nieuwe, Chinese manager zijn rol overneemt. En Abdul, die gaat mij ook zeer aan het hart. Maar dat is een geval apart. Hij is geen Europeaan. We zouden misschien wel kunnen zeggen: hij is normaal. Terwijl iedereen om hem heen blijft hangen in het verleden, hun identiteit daardoor laten bepalen, zegt Abdul dat de toekomst veel belangrijker is omdat die nog moet komen, aan de toekomst kun je nog iets aan kunt doen.”

Het hoofdpersonage heet Ilja Leonard Pfeijffer. In La Superba heb je ook voor dit vertelperspectief gekozen, vanuit de eerste persoon enkelvoud. De gelijkenis met jou als persoon is onmiskenbaar, maar je bént het niet. Waarom gebruik je dan toch je eigen naam?
“Het houdt de lezer betrokken. Ik creëer de illusie dat het een waargebeurd verhaal is. Zo krijg ik de Suspension of disbelief voor elkaar, de bereidheid van de lezer om bij een fictief verhaal zijn scepticisme tijdelijk opzij te zetten. Ik kan het verhaal veel indringender vertellen omdat mensen zich kunnen inleven in de karakters, zich identificeren. In een non-fictie boek kun je geen emotie leggen. Daarin verschilt het van een roman.”

“Ik heb niet gelogen en ik heb de waarheid ook niet verdraaid. Ik heb het belangrijkste op zo’n manier verteld dat iemand die het niet heeft meegemaakt, het toch kan begrijpen.” Zo zegt Abdul in Grand Hotel Europa. “Intertekstualiteit” noemt de hoofdpersoon het: “Abdul heeft de waarheid verteld door gebruik te maken van de literaire techniek die Vergilius zelf ook gebruikte, en alle grote dichters en schrijvers na hem. Door zijn waarachtige verslag van zijn verhaal te doorspekken met verwijzingen naar de Aeneis herinnert hij ons eraan dat zijn verhaal een verhaal van alle tijden is.”
“Wat Abdul eigenlijk zegt, is dat het eigenlijk niet gaat om de details. Het gaat er om iets werkelijk zo is gebeurd als wordt gezegd of geschreven. Het gaat om het grotere verhaal. Het gaat niet om de vraag welk detail nu werkelijk gebeurd is of in hoeverre ik nu lijk op de hoofdpersoon. Het gaat om de waarheid van het verhaal, ook al is dat verhaal verzonnen.”

“Om af te sluiten met een persoonlijke obsessie wil ik hier nog aan toevoegen dat toerisme raakt aan thema’s die mij altijd fascineren en waarover al mijn boeken wel op een bepaalde manier gaan, en dan doel ik met name op de schimmige en immer vervagende scheidslijn tussen echt en nep, feit en fictie, realiteit en fantasie, werkelijkheid en verzinsels, omdat ondernemers die geld willen verdienen aan toeristen inspelen op hun verwachtingen en vooroordelen en doelbewust de illusie van authenticiteit creëren waarnaar zij op zoek zijn. Het verschijnsel toerisme is de ultieme problematisering van het op zich al steeds problematischer wordende concept van authenticiteit.”

Een van de verhaallijnen wordt gedragen door de wens een film te maken over het massatoerisme. De hoofdpersoon wordt benaderd om de journalist te zijn in de film, de interviewer. In die komt hij in Almere terecht, op een kaal bedrijventerrein, bij en bedrijf dat is gespecialiseerd in het bieden van extreme reizen: Xtreme Xperience. Wanneer mogen we die film verwachten?
“Ja, het zou eigenlijk een heel goed plan zijn om die film echt te maken. Ik had het eigenlijk écht moeten doen; een documentaire over toerisme parallel aan het boek. Dat zou echt een goed idee zijn. Het zou elkaar goed aan kunnen vullen. In Grand Hotel Europa heeft de documentaire een functie, hij staat ook weer min of meer symbool voor het oude Europa. De documentaire komt er niet. Het blijft te vaag, te weinig concreet. De vage, Nederlandse kunstzinnige Marco in het boek, een van de breinen achter de documentaire, lukt het niet om concreet te worden, financieringen krijgt hij niet rond. Er komt uiteindelijk helemaal niets van de grond. Een doortastende, pragmatische Chinees had het misschien wel kunnen volbrengen. Wat ik verder beschrijf, over hoe mensen die plekken opzoeken, op excursie gaan naar sloppenwijken en favela’s om de authentieke sensatie van extreme armoede te ervaren bijvoorbeeld, dat gebeurt echt. Ze zoeken de ellende op, niet om te helpen, maar omdat het zo lekker authentiek is. Dat bestaat. En dat vind ik echt verschrikkelijk.”

"‘Weet je wat ik zit te denken?’ zei Clio tegen mij. ‘Dit [Venetië] is eigenlijk de toekomst van Italië. Wat we hier zien, is onze bestemming. Waarom zouden we ongelukkig worden door uit alle macht vast te houden aan het achterhaalde idee dat we productief moeten zijn, industrie nodig hebben en dingen moeten maken in fabrieken? Dat kunnen anderen veel beter dan wij. Wij hebben de landschappen, de zee, de cultuur en de historie. Wij hebben het decor en de gastronomische tradities. Wat je hier om je heen ziet, dat is waar wij goed in zijn. Laten wij ons daarop dan ook volledig toeleggen. Italië moet de tuin van de wereld worden.’ ‘Misschien geldt dat wel voor heel Europa,’ zei ik."

Als het zou gebeuren, áls Venetië onder het water verdwijnt. Hoe erg zou dat zijn? Er zijn vaker steden verdwenen. Ze leven door in de herinnering en er komen andere plekken voor in de plaats. Alles in beweging.
“Een terechte vraag. Er kan een tijd komen dat we dit hier om ons heen alleen nog maar kunnen zien met en duikfles. Dat heeft ook een zekere schoonheid. Er zijn verdronken steden. Ik zou het wel erg zonde vinden. Dat we hier kunnen rondlopen, dat is toch wel heel bijzonder. Ik hou van Venetië, van Europa, van zijn nostalgie. Maar straks hebben we niets anders meer dan dat verleden. Of dat erg is? Dat is inderdaad de vraag. Het gaat om het bewustzijn. Als niemand zich er bewust van is dat er een probleem is, gebeurt er sowieso niets.”

Hoe zou jouw ideale wereld eruit zien?
“Dat zou een mooi onderwerp zijn voor een nieuw boek. Een ideale wereld bestaat niet. Er zal altijd iemand tekort worden gedaan. En als dat niet zo is, verzinnen we er wel nieuwe problemen bij. Inderdaad, de Wet van Behoud van Ellende, die ervoor verantwoordelijk is dat nieuwe problemen uit het niets opdoemen zodra oude problemen met moeite eindelijk zijn opgelost.”

Over de auteur

Grand Hotel Europa

Ilja Leonard Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk (ZH), 17 januari 1968) is een Nederlands dichter, classicus en schrijver. Hij heeft zich onderscheiden in zo goed als alle denkbare genres, behoort tot de meest gelauwerde auteurs van het taalgebied en wordt erkend als een van de dwingendste stemmen in de hedendaagse Nederlandse literatuur. Hij heeft meer dan veertig titels op zijn naam, waaronder poëzie, romans, korte verhalen, toneelteksten, essays, wetenschappelijke studies, columns, vertalingen en bloemlezingen. Zijn poëziedebuut Van de vierkante man (1998) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs en zijn debuutroman Rupert, een bekentenis (2002), met de Anton Wachterprijs. Op 13 mei 2014 won hij de Libris Literatuurprijs voor zijn roman La Superba. Pfeijffer woont in Genua.