Katie Roiphe: “Iedereen is stiekem nieuwsgierig naar de dood”

07-03-2017

Als klein meisje was Katie Roiphe zo ziek dat ze misschien wel zou sterven. Sindsdien heeft de dood haar altijd beziggehouden en ze heeft zelfs een boek geschreven over de laatste dagen van zes grote schrijvers, Het uur van het violet. Met Janneke Siebelink, hoofdredacteur van lees.bol.com heeft ze het over haar zoektocht naar onsterfelijkheid, de dood van haar eigen vader en haar angst voor de dood.

Het uur van het violet

Waar komt het idee voor je nieuwe boek vandaan?
Om eerlijk te zijn, begon ik dit boek al te schrijven toen ik twaalf was. Toen was ik erg ziek en lag ik een jaar in het ziekenhuis. Ik dacht dat ik doodging en ik heb in die tijd veel over mijn eigen sterfelijkheid nagedacht. Ik denk dus al sinds die tijd over dit onderwerp na, maar ik heb het weggestopt en heb gewoon mijn leven geleefd en niet meer de hele tijd aan de dood gedacht.

Je hebt zelf kinderen. Denk je daardoor anders over dit onderwerp?
Ik ben door mijn kinderen helemaal niet anders gaan denken over het boek. Als je kinderen krijgt, voel je je kwetsbaar. Je zet die wezentjes op de wereld, maar wat als hen of jouzelf iets overkomt? Dus het onderwerp bleef me op een andere manier toch bezighouden. Dat is normaal, iedereen denkt na over de dood. We duwen het weg en proberen er niet aan te denken, maar het komt toch weer naar boven. Alleen als je kinderen hebt, denk je er misschien wat vaker aan.

Hoe kon je objectief blijven over dit onderwerp zonder sentimenteel te worden?
Ik heb heel erg mijn best gedaan om niet sentimenteel te worden, want dat vind ik echt naar. Als er over de laatste dagen van mensen wordt geschreven, worden er vaak dingen verdoezeld of mooier gemaakt dan ze zijn. Dat wilde ik niet, ik wilde er naar kijken zoals het is. Ik was me erg bewust van de dood. We willen daar niet over nadenken en dat kost veel moeite, vooral omdat ik veel onderzoek heb gedaan naar die mensen. Je raakt toch betrokken bij hun leven. Het was wel een van de kernprincipes die ik in gedachten had. Als iemand sterft, zeggen mensen vaak dingen die niet waar zijn en ze willen dat alles netjes en positief is. Dat probeer ik in het boek niet te doen.

Een van de meest ontroerende scènes in het boek is in het begin, wanneer je vader sterft en je dochter van tweeënhalf je allerlei vragen stelt over de dood. Als je je vader nog een laatste vraag kon stellen, wat zou die vraag dan zijn?
De dood van mijn vader was deels een inspiratie voor het boek. Hij is heel plotseling gestorven aan een hartaanval. Hij was 82, dus misschien was het niet zo verrassend, maar voor ons was dat het wel. Hij werkte fulltime als arts en hij leek heel gezond. Een van de redenen dat ik dit boek ging schrijven was omdat ik wilde weten wat hij toen dacht, op het moment dat hij stierf. Dit boek is eigenlijk een poging om die vraag voor mezelf te beantwoorden. Het hele boek draait om die vraag. Maar eigenlijk gaat het boek over de angst voor de dood, over die confrontatie wanneer je weet dat je gaat sterven. Hoe ga je daarmee om? Aan die angst kunnen we niet eens denken, we kunnen ons dat niet voorstellen. Ik denk dat ik wilde weten wat hij op dat moment dacht, maar je kunt het nooit zeker weten. Dat is het trieste van dit boek, ik kan nooit krijgen waar ik naar op zoek was.

Van pijn iets zoets maken

Was je niet stiekem op zoek naar een antwoord op de vraag hoe je voor altijd kunt blijven leven?
Ik denk het wel, daarom wil je die verhalen ook lezen: hoe kan ik ervoor zorgen dat ik niet doodga? Het grappige van dit onderwerp is dat we ons onze eigen dood niet kunnen voorstellen. Als we dat proberen, kijken we altijd toe als een soort toeschouwer en dan leven we dus nog. We kunnen het ons echt niet voorstellen. Er is een groot verschil tussen weten dat je doodgaat en het echt geloven. In ons hart geloven we niet dat we zullen sterven. Dat accepteren we niet. Dus toen ik zo ziek was, worstelde ik heel erg met dat gevoel. Ik was op zoek naar het geheim van onsterfelijkheid.

Je schrijft over zes auteurs. Waarom heb je deze auteurs gekozen?
Er zijn zoveel mensen over wie ik had willen schrijven, maar op een gegeven moment moest ik stoppen, anders had ik mijn hele leven wel kunnen blijven schrijven. Ik heb zeven jaar over dit boek gedaan, ik had geen zin om nog eens tien jaar door te gaan. Waarom deze schrijvers? Ik begon met het concept van de confrontatie met de dood en dat we die niet onder woorden kunnen brengen. Ik heb John Updike gekozen vanwege de manier waarop hij zichzelf uitdrukte. Hij kon dingen zo mooi onder woorden brengen, daarom dacht ik dat hij met de dood ook wel zou kunnen. Ik was eigenlijk op zoek naar mensen die me aanspraken, wiens werk me aansprak. Ze kwamen ook instinctief op me af. Ik had gewoon een bepaald gevoel over hun werk en hun dood. Ze zijn op verschillende manieren gestorven. Ik volgde mijn instinct en bij elke persoon was er een vraag of iets waar ik mee zat over hun leven waar ik achter wilde komen.

Welke van de sterfgevallen spreekt je het meest aan?
Alle sterfgevallen hebben wel iets dat me aanspreekt. Toen John Updike stief, hield zijn ex-vrouw zijn voeten vast boven de dekens. Op dat moment kwamen alle elementen in zijn leven samen: zijn ex-vrouw, zijn vrouw, zijn kinderen, dat heeft wel iets. En Maurice Sendak was heel erg bang voor de dood. In de week voor zijn dood had hij een droom. Hij lag in het ziekenhuis na een beroerte en kon niet meer tekenen of schilderen, terwijl kunst het allerbelangrijkste voor hem was. Hij had een hekel aan sneeuw, daar was hij bang voor. Hij sloeg met een bezem de sneeuw van de bomen, omdat hij bang was dat de sneeuw op hem zou vallen en hij daardoor zou sterven. Ook had hij een hekel aan kerst, want hij was joods. Een week voor zijn dood zei hij tegen zijn huishoudster: “in mijn droom lag ik op een divan voor een groot schilder, een Dickensachtig schilderij met sneeuw, in de kersttijd. Het was een mooie, troostende droom.” De huishoudster zei: “Maar Maurice, hoe kan dat nu troostend zijn? Je haat sneeuw en kerst, je noemt sneeuw zelfs ‘de witte dood’!” Maar toch voelde hij zich beter na die droom. Daardoor kreeg hij rust en was hij niet meer bang. De schrijver James Salter zei daar eens over: “We troosten onszelf.” Dat bleek uiteindelijk het centrale punt waar ik naar op zoek was, hoe deze grote geesten en verbeeldingen zoiets maken, zelfs als ze niet dood wilden. Die droom over sneeuw is een metafoor voor het hele boek. Het is fantastisch om te zien hoe alle schrijvers ermee bezig waren. John Updike schreef nog tot zijn dood gedichten. Hij kon het nauwelijks meer, hij was te zwak en ziek. Zijn vrouw vertelde dat hij probeerde zijn gedichten uit te typen, ze waren namelijk geschreven in een heel slecht handschrift, want hij kon nauwelijks meer schrijven. Hij legde zijn hoofd op de typmachine en hij zei: “Ik kan het niet meer.” Maar ze zei: “Je moet, nog één laatste boek.” En hij vond toch de kracht om het doen. Die gedichten zijn verbluffend, ze vertellen het verhaal over het laatste deel van zijn leven. Dat heeft hem echt in leven gehouden. Updike had een geweldige uitspraak over schrijven: van pijn iets zoets maken. Dat doe je als schrijver. Je neemt de pijn die je voelt in je leven en maakt er iets zoets van.”

Een zoektocht

Ben je bang om te sterven?
Na dit boek wel minder. Toen ik begon met het schrijven van dit boek, wilde ik de dood begrijpen. Ik dacht dat het goed was om te zeggen: “Ik wil de dood beter begrijpen.” Dat klonk me goed in de oren. Maar later besefte ik dat het me daar niet om ging. Ik wilde er dichtbij komen en dat ene waar ik zo bang voor was eens goed bekijken. Na afloop dacht ik: het is goed zo, en dat had ik nog niet eerder zo gevoeld. Ik heb het geaccepteerd. Daar was ik naar op zoek met dit boek, en ik heb het gevonden.

Geloof je in het hiernamaals?
Nee. Er zit één gelovig persoon in het boek, maar de meesten zijn dat niet. Ik heb dat wel overwogen, want de ervaring met de dood is dan natuurlijk heel anders, maar ik vond: dit is de 21e eeuw, en ik was juist geïnteresseerd hoe het zou zijn in mensen die niet echt geloven in een hiernamaals en het al helemaal niet zeker weten.

De dood is nogal een ambitieus onderwerp. Had je momenten waarop je wilde stoppen met schrijven omdat het gewoon te veel was?
Ja, heel veel. Het is natuurlijk geen geschikt onderwerp om over te praten. Stond ik op een feestje, vroegen mensen aan me waar ik aan werkte. Dan zei ik: “Ik schrijf over de dood.” Dat klinkt vreselijk. Het boek zelf is niet deprimerend, maar juist opbeurend. Maar toch klonk het destijds niet zo. Ik had ook het gevoel dat ik niet veel controle had over het onderwerp. Ik dacht niet dat ik het aankon. Ik kwam niet dichtbij genoeg, ik wilde weten wat er gebeurde toen ze stierven. Er waren veel wanhoopsmomenten, maar ik was er ook door geobsedeerd. Ik voelde me er toch zo door aangetrokken dat ik er niet mee kon stoppen. Je kunt zo’n project alleen maar doen als je erdoor geobsedeerd bent, want het is echt moeilijk. Dus ik bleef er maar naar terugkomen. Ik heb ondertussen zelfs nog een ander boek geschreven. Maar ik kon er niet van weglopen. Deels omdat dit onderwerp me al zo lang bezighoudt en achtervolgt.

Je hebt zeven jaar over dit boek gedaan en het is heel gedetailleerd. Hoe heb je je onderzoek aangepakt?
Ik ben naar de archieven gegaan en heb dagboeken en notitieboeken gelezen. Ik heb ook urenlang met de vrienden en familie van de schrijvers gepraat. Maar ik ben iemand die liever brieven en dagboeken van dode mensen leest. Ik voel me er niet prettig bij om erop uit te gaan en mensen te interviewen, vooral niet over dit onderwerp. Het voelde erg opdringerig, want je vraagt mensen toch: “Hoe was de dood van je vader?” Dat is toch de ergste vraag die er is? Maar de mensen wilden er graag over praten, terwijl ik had verwacht dat ze dat niet zouden willen. Voor de meeste mensen met wie ik heb gepraat, was het bevrijdend. Je wordt geacht niet te lang over rouwen en de dood te praten, en nu konden ze dat wel. Je vrienden horen je wel even aan, maar die willen niet eindeloos lang de details van de dood van je vader bespreken. Dus dat er iemand kwam die zo geïnteresseerd was en er ook veel over wist na al die jaren onderzoek, was eigenlijk perfect. Het boek draagt ook het idee uit dat je er gerust over na kunt denken, ernaar kunt kijken of erover praten, want dat is eigenlijk nog een beetje taboe. In Europa is het wat makkelijker dan in Amerika, want daar wordt je geacht vrolijk en gelukkig te zijn. Hier kunnen mensen wat beter met het onderwerp omgaan. Maar toch is het een raar project, want ik val mensen lastig over wat er echt is gebeurd. Susan Sontag schreef daarover: het is net porno. Iedereen is stiekem toch nieuwsgierig. En zo is het.