Rinus Israel: "Ik vind voetbal een prachtige sport. Het is moeilijk loslaten"

Door: Joeri Zwarts
06-04-2017

Op het terras van De Kuip neemt Rinus Israel (1942) plaats. Een plekje in de zon. De voormalig beste verdediger van de wereld terug in het theater waar hij zijn grootste successen behaalde. Israels terugkeer is niet zomaar. Onder het toeziend oog van veel ex-spelers werd IJzeren Rinus, de biografie door Harry Walstra, gepresenteerd. Voor hij het eerste exemplaar ontving sprak ik hem over boeken, de veranderde voetballerij en de kunst van het verdedigen.

Boeken en de veranderende voetballerij

Wat vond u ervan dat er een boek over u geschreven ging worden?
Rinus Israel: Een paar jaar geleden had ik gedacht: Dat komt er nooit van. Nu word ik 75, en toen ik gebeld werd dacht ik: Eigenlijk is het leuk. Hij (Harry Walstra, JZ) belde en ik heb meteen toestemming gegeven. Ik heb niet gesproken over wat het me zou opleveren. Ik vond het goed. Ik zei: ‘Daar doe ik aan mee.’

Het vooroordeel over voetballer is dat ze alleen de Ontvoering van Heineken hebben gelezen. Geldt dat voor u ook?
Nee, ik lees veel. Youp van ’t Hek bijvoorbeeld. Daar heb ik van die dikke dingen van. Dat vind ik leuk.

Weinig sportboeken?
Weinig sportboeken. Ik heb thuis nog oude Voetbal Internationals liggen. Over mijn eigen periode. Die heb ik wel gelezen.

Bent u betrokken geweest bij het schrijfproces?
Ja. Ik heb het ook nagelezen. Het is wel echt een boek voor de voetballiefhebber. Ik ben 52 jaar getrouwd en ik heb een heel goed huwelijk, zonder schandalen. Over mij privé is er niet veel smeuiigheid te vertellen.

De meeste sportboeken zijn inderdaad heel smeuïg. Schandaal op schandaal. Seks en alcohol.
Als het zo geschreven had moeten worden dan zou ik van mijn leven geen toestemming voor geven. Iets anders is er over mij ook niet te vertellen en te schrijven. Het gaat over sport, voetbal, trainen en de manier zoals ik het voetbal beleef. En ook als trainer hoe ik het graag zo zien. Dat zou je misschien tegen kunnen komen in het boek.

U heeft als speler nooit in het buitenland gespeeld. Is dat een bewuste keuze geweest?
In mijn beste jaren speelde ik bij Feyenoord. Normaal gesproken gingen wij niet naar het buitenland. Cruijff was een van de eerste die vertrok, en dan spreken we over 1973, dat hij naar Barcelona ging. In 1973 was ik al 31 jaar en toen had ik net blessureproblemen. Ik was het jaar daarvoor geopereerd aan mijn meniscus. In 1973 werd ik weer geopereerd aan mijn meniscus.

Er is nooit iets van gekomen om naar een echte grote buitenlandse club te gaan. Ik ben wel een keer door Happel gevraagd in 1974. Dat was mijn laatste jaar bij Feyenoord. Hij kwam toen bij en vroeg of ik eventueel interesse had om naar Club Brugge te gaan.

Een heel andere tijd.
Ja, als je nagaat. In 1970 wonnen wij de Europacup. 1971,1972, 1973, was het Ajax. Wij waren de top in Europa met clubvoetbal. Dus de nood was ook niet zo hoog.

Rinus

De kunst van het verdedigen

Het beeld dat ik op basis van verhalen bij u heb is er één van een stevige voetballer die soms over het randje ging. Wordt u wel eens moe van dat mensen daar altijd naar vragen?
Ik word er niet moe van. Als mensen erover beginnen geef ik keurig antwoord. Maar ik probeer er wel eens bij te zeggen dat ik buiten het harde ook wel aardig kon voetballen. Ik had een goede trap, ik kon goed koppen, ik zag het spel goed. In die tijd speelde ik libero. Ik kon mijn medeverdedigers goed aansturen. Op het middenveld kon ik coachen. Ik zag wat er ging gebeuren. Dus het is niet alleen rammen en rossen geweest.

Zo komt af en toe wel over.
Ja, dat is in de loop der jaren zo gegroeid. Spelers worden steeds beter, spelers worden steeds harder. Ik denk dat ik daar ook onder val. Een harde overtreding wordt een verschrikkelijke overtreding, enzovoort.

Een geval: hoe ouder je wordt, hoe verder de wandeling naar school?
Ja, daar lijkt het in de voetballerij wel op.

U heeft individueel ook een behoorlijke erelijst. U bent twee keer voetballer van het jaar geweest. Pas geleden werd u nog verkozen tot beste verdediger uit de geschiedenis van de Eredivisie. Is dat een extra eer omdat dat niet om schoppen draait
Ja, dan moet je toch een allround type zijn. Eentje die op die positie toch aardig uit de voeten kon. Nu is het wel zo dat als je bij Feyenoord speelt een kleine voorsprong heb op de andere spelers.

Kijkt u nog veel voetbal?
Ja, ik volg alles nog. Ik vond het voetbal leuk om te doen, en ik het vind het nu nog leuk om te kijken. Wat dat betreft ben ik echt een voetbalfanaat. Als er wat op tv is ga ik kijken. Ik ga zaterdags bij amateurs kijken. Als ik zondags niets hoef te doen voor De Telegraaf ga ik ook naar een derde divisie club kijken. Ik vind het een prachtige sport. Het is moeilijk loslaten.

Heeft u spelers waarin u sommige dingen van uzelf herkend?
Misschien. Voetbal is ook veranderd. Bij Feyenoord Botteghin. Daarvan zou je zeggen die is fysiek ook sterk. Die laat zich ook gelden. Zo’n type.

En in het buitenland? Atletico Madrid?
Godin?

Ja, bijvoorbeeld.
Dat is ook een geweldenaar. Goede kopper. Goede verdediger. Ik zou zeggen dat als ik mezelf met hem vergelijk, dat ik een betere trap had. Ik kon ‘m van de rechterkant zo op de linksbuiten geven. Maar het spel is ook veranderd. De manier van opbouwen bij dat soort club is ook anders. De ruimtes waren in mijn tijd waren iets groter dan nu. We hadden ook wel iets meer tijd om de bal de passing te verzorgen. Ik moet er wel bij zeggen dat als we in deze hadden gespeeld we ook op een goed niveau kunnen voetballen.

Voetbalveld

"Altijd de bal volgen"

In het boek komen heel veel mooie namen voorbij. Zowel als mede- en als tegenstander. U noemt Cruijff als de moeilijkste.
Ja, duidelijk. Veruit de beste voetballer die Nederland ooit gehad heeft. Dat was een geweldenaar.

Wat probeerde u om te zorgen dat hij niet scoorde?
Lachend: “We probeerden hem buiten de zestien te houden.”

Dan serieus:
“Ik had wel de instelling dat ik alles gebruikte en alles deed om de tegenstander niet richting goal te laten gaan. Dat lukte ook wel eens. Johan was bewegelijk, snel. Voelde precies aan wanneer je van achter een sliding inzette. Hij voelde dat aan. Maar we hebben ook wel eens wedstrijden gehad waarin we hem wel de baas waren. Ik kan me een wedstrijd herinneren in ik meen ‘71. Toen moesten we winnen om 1 punt voor Ajax te komen. In het Olympisch Stadion wonnen we toen met 3-1.”

Uw analyse in het boek van een verdediger zegt u dat een goede verdediger voorin moet beginnen. Bent u daar een goed voorbeeld van?
Ik heb in de jeugd en bij mijn amateurclub in het eerste altijd als binnenspeler gespeeld. Die had je toen nog. Je had geen middenvelder, je had binnenspelers. Ik was meer aanvallend georiënteerd. Bij DWS ging ben ik op het middenveld gekomen. De volgende zet, ook bij DWS, was dat ik iets naar achter ging. Toen ben ik centrale verdediger geworden.

Natuurlijk heb je ook specialisten. Maar als middenvelder moet je ook een beetje meevoetballen. Een beetje behendig aan de bal zijn. Een linie naar achter moet je ook een goede passer zijn en in de tackles. Nog een linie naar achter moet je alle duels winnen. Dan is behendigheid minder belangrijk. Wat dat betreft is de opbouw die ik had niet slecht geweest.

Heeft u nog tips voor verdedigers?
Nooit naar de benen van de tegenstander kijken. Niet kijken of hij het met rechts of links doet. De bal is het belangrijkst. Altijd naar de bal kijken. Als je naar iemands postuur of zijn benen gaat kijken dan maakt hij een beweging en dan zou je die beweging mee kunnen maken. Altijd de bal volgen.

Joeri
Joeri Zwarts