Roos Schlikker: "Nederland is gebouwd op Ambi-Pur en Febreze"

23-5-2017
Header Roos Schlikker

Roos Schlikker, columnist voor onder meer het Parool, Intermediair en LINDA. schreef al eerder boeken, maar nog nooit een roman. In Huisje, boompje, beest staat het leven in de Vinex-wijk op z'n kop wanneer er een vermeende pedofiel komt wonen. Hoe gaan de gezinnen die er wonen daarmee om? Janneke Siebelink, hoofdredacteur van online magazine lees.bol.com, spreekt Roos over Vinex-wijken, fictie versus non-fictie en de ondraaglijkheid van het gewone leven.

Als je iets maakt, moet je ook ergens tegen kunnen, want je kunt verwachten dat er mensen zijn die er wat van vinden

Gefeliciteerd met je romandebuut. Je hebt al wel drie andere boeken gepubliceerd. Vind je dit dan toch spannend?
Ja, dit vind ik veel enger en ik voel me kwetsbaarder, want het is out of my comfortzone. Mensen kennen mij vaak als columnist en ze weten niet dat ik fictie schrijf. Dus ze moeten misschien ook wennen aan mij als fictieschrijver. En het is mijn eerste roman. Het voelt wel heel naakt, hoor. Ik kan er wel stoer over doen, maar dat doe ik niet. Het voelt gewoon hartstikke spannend.

Marion Pauw zei: "Ik wil echt nooit meer fictie schrijven. Het is hartstikke leuk, maar ik trek die kritiek niet. Mensen zijn zo genadeloos."
Ik heb daar af en toe echt buikpijn van. En ik probeer te onderzoeken waar dat nu aan ligt, want ik denk ook: doe niet zo fragiel en kwetsbaar. Als je iets maakt, moet je ook ergens tegen kunnen, want je kunt verwachten dat er mensen zijn die er wat van vinden. En als ze het allemaal prachtig vinden, dan hoor je het heel graag, maar als ze het niet leuk vinden, kruip je het liefst in een holletje. Zodra er iets hards of onaangenaams over wordt gezegd, kan ik al snel denken: zie je wel, ik kan dit niet, het is allemaal een grote mislukking, een grote vergissing. Maar ik denk dat het heel erg jammer en stom is om een boek niet te schrijven omdat je bang bent voor kritiek.

Het is natuurlijk ook subjectief. Je zit er niet naast als iemand het boek leest, dus je weet niet wat iemand ermee gaat doen in zijn gedachten, of diegene wel begrijpt wat je wil zeggen.
Of hij je wel begrijpt, of hij niet gewoon een rotdag heeft gehad op zijn werk en denkt: wat een stom gelul. En je bent er lang mee bezig, dat scheelt ook. Bij een column wil ik ook dat mensen het mooi vinden, maar als ze deze week denken: wat een stom stukkie, en volgende week: wat een leuk stukkie, is dat rotstukkie weer vergeten.

Put That Shrimp On The Barbie

In al die mensen in het boek zit wel iets van mij.

Je hebt zelf twee zonen. Hoe was het om dit heftige onderwerp te beschrijven? Onvermijdelijk denk je aan je eigen kinderen.
Zeker, ja, ongemakkelijk. Dit boek moest gaan over angst. Ik wilde graag iets beschrijven wat echt daar aan raakt, iets waar we allemaal bang voor zijn. Ik vind het interessant om te zien wat dat met mensen doet. Dus ik ben daarop voort gaan borduren en toen kwam ik op dit idee. Maar naarmate ik het boek aan het schrijven was, merkte ik dat het veel persoonlijker werd dan de bedoeling was. In al die mensen in het boek zit wel iets van mij. Tijdens het schrijven vond ik Evelien, de buurvrouw, die ontzettend bang is en daardoor volslagen neurotisch, een onsympathiek personage. Maar ze kwam in mijn hoofd, dus ze moest er toch in. In de loop van de tijd ben ik haar wel gaan begrijpen. ­­Je wilt toch dat je kinderen veilig zijn en iedereen gelukkig is.

Je boek is een bewerking van je toneelvoorstelling Smet. Wat heb je ermee gedaan om er een boek van te maken?
Ik heb de personages veel meer uitgewerkt. Smet was echt een comedy, geestig bedoeld. Ik heb de personages nu veel meer lagen en nuance gegeven. Tijdens het schrijven heb ik mezelf uitgedaagd. Ik ben een kant opgegaan, die ik eerst niet durfde te bewandelen.

Het is niet interessant om over een braaf persoon te lezen. Vind je dat dat ook een voorwaarde is van de kunst, dat het je tot nadenken moet aanzetten?
Dat hoop ik wel. Je moet het natuurlijk niet overdrijven. Ik houd van literatuur, maar zodra schrijvers pretentieus gaan roepen dat ze de wereld veranderen, denk ik: gatverdamme, ik ben weg, dat bepaal ik zelf wel. Maar toen ik het manuscript had ingeleverd, stuurde de baas van de uitgeverij me een mailtje en daarin stond eigenlijk alles waarvan ik had gehoopt dat iemand dat zou zeggen over het boek. Zij schreef: “Ik heb gelachen, en ik werd erdoor geraakt, en het heeft me ook heel erg tot nadenken gestemd.” Toen dacht ik: oh, wauw, echt? Dat was fantastisch. Ik weet niet of dat het doel van literatuur is, maar het is wel gaaf als het gebeurt.

Het wordt een schurende komedie genoemd. Had je zoiets voor ogen toen je begon met schrijven of wilde je juist een thriller schrijven?
Ik ben wel geneigd om zware onderwerpen wat licht aan te vliegen en de lichte wat zwaarder, ook in mijn columns. Ik houd wel van dat contrast. Komedie die pijn doet, vind ik het leukst. Alleen lachen om het lachen, dat boeit me niet zo. Is iets alleen maar loodzwaar, dan denk ik: mag ik er alsjeblieft uit? De combinatie vind ik het prettigst. Terwijl ik aan het lachen ben, denk ik: kan ik dit wel maken? Dat is ook wat ik in het theater probeer te doen en wat ik goed vind om naar te kijken en zelf te maken. Het heeft dus met mijn eigen smaak te maken.

Heb je concessies gedaan omwille van je lezers?
Nee hoor, helemaal niet. Ik ben bij het schrijven van het boek helemaal niet bezig geweest met het publiek. Dat ben ik als columnschrijfster ten dele wel, maar eigenlijk ook niet. Ik ben steeds persoonlijker gaan schrijven. In het begin durfde ik dat helemaal niet, maar toen ik ging schrijven over mijn eigen gedachtes, kreeg ik ineens heel veel bijval, omdat je verwoordt waar niemand het over durft te hebben. Als er voor ons als schrijvers een soort taak is weggelegd, is dat het misschien wel: zaken benoemen die anders onbenoemd blijven.

Vinexwijk

Ik wilde heel graag over hele gewone mensen schrijven

Woon je zelf eigenlijk in een Vinex-wijk?
Nee. Ik woon in Amsterdam in de Jordaan en daar is helemaal niets Vinex-wijkerigs aan. Maar ik ben wel naar verschillende Vinex-wijken geweest en ik kom ook in het theater in heel veel plaatsen en daar zijn ook heel veel van dat soort wijken. Ik vind het ook leuk om bij mensen thuis te komen en te kijken. In heel veel huizen staat Febreze, dat is ontzettend fascinerend. Ambi-Pur en Febreze, dat is waar Nederland op gebouwd is. Als je vanaf de maan kijkt, zie je een soort turkooisachtige wolk die Ocean Wild heet. Dat zijn wij.

Waarom heb je voor die setting gekozen?
Omdat ik heel graag over hele gewone mensen wilde schrijven, plus dat ik het interessant vind als mensen heel dicht bij elkaar wonen. Wij Nederlanders willen allemaal heel erg graag gewoon zijn, maar tegelijkertijd dromen we ervan om groots te leven. We doen allemaal alsof we het volwassen leven snappen, zeker als je kinderen hebt. We willen verantwoordelijke volwassenen lijken die geen gekke dingen doen. Maar stiekem dromen we soms van andere, duistere zaken. Het leek me aardig dit te laten zien bij mensen in een Vinex-wijk. Ik kan me heel goed voorstellen dat je daar woont met al je grootse dromen en af en toe denkt: ik moet hieruit. En dat je tegelijkertijd denkt: ja, maar, ik heb het toch zo goed voor elkaar?

Je had in je boek alle kanten op kunnen gaan, dus hoe heb je dat recht gehouden?
Je kunt altijd alle kanten op met een verhaal, dat gebeurt ook gewoon. Dat is ook wat boeit, wat ik het interessantste vind en wat de interessantste manier is om personages met elkaar te laten botsen. Fictie gaat altijd over conflict. In elke scène moet iets van conflict zitten. Als er geen conflict in zit, is het niet interessant. Dus ga je kijken: wat kan ik die mensen laten meemaken waardoor er iets wordt aangeboord of in werking wordt gezet wat normaal niet in werking zou worden gezet?

Herken je dat zelf ook, dat je de alledaagsheid van het leven ondragelijk vindt?
Ja, natuurlijk. Ik ben 42 en heb twee kinderen. Ik heb soms ook de gedachte: zou ik niet raftend door Afrika moeten trekken? Daarom laat ik Petunia, een zwerver in de Vinex-wijk die de bewoners soms een spiegel voor houdt, ook zeggen: “Je kunt er altijd uit, je kunt altijd weg. Maar misschien zijn degenen die dat weigeren de echte helden.” Het vereist een bepaald heldendom om te blijven, om te kiezen voor wat je hebt. Maar ook als je raftend door Afrika trekt, kom je op een punt waarop je denkt: is dit alles? Want dat is het leven. Ik ben hartstikke gelukkig, maar soms ben ik het ook weleens zat. Met kinderen in de luiers, daar sta je dan tot je ellebogen in de poep. Dat is niet het hoogtepunt van mijn dag.

Wanneer ben jij tevreden of gelukkig?
Als ik een stukje heb geschreven waarvan ik denk: hier staat wat er moet staan, dat maakt me gelukkig. Tegelijkertijd hik ik er ook tegenaan. Een schrijver heeft eens gezegd: “Schrijven is hetgene wat ik het meeste haat voordat ik het doe en waarvan ik het meeste hou als ik het gedaan heb.” Dat vind ik ook. Ik stel het ook vaak uit. Maar ik word er wel gelukkig van als ik denk: hier staat wat ik bedoel, of: dat heb ik mooi gezegd. Als ik helder heb kunnen verwoorden wat ronddoolt in mijn kop, daar word ik heel blij van. En natuurlijk word ik gelukkig van mijn kinderen, en tiramisu, en alle andere normale dingen die mensen gelukkig maken.

Wat is het verschil tussen schrijven voor toneel of een roman?
Moeilijk aan toneel is dat je niet zo eenvoudig de gedachtes van mensen kunt laten zien. Maar het contrast tussen journalistiek en fictie is nog veel groter. Daarom heb ik misschien zo lang gedaan over het boek. Als journalist ben ik gewend om alles heel erg uit te leggen, te vertellen hoe het zit. Literatuur is er juist bij gebaat om soms dingen in het midden te laten of niet uit te leggen. Ik vond het heel interessant om dat te onderzoeken. Hoeveel kan ik weglaten, zodat ik toch nog begrepen word? Of wanneer wordt het geraaskal? Ik heb dat de afgelopen jaren met veel plezier zitten proberen.