Header baantjer
Interview

Peter Römer: "Met een beroemde vader moet je aan veel hogere verwachtingen voldoen"

08-05-2019

De nieuwe Baantjer-film trekt volle zalen. De jonge De Cock wordt door Waldemar Torenstra gespeeld. Zijn partner wordt vertolkt door Tygo Gernandt. Samen moeten ze proberen een aanslag tijdens de kroning van prinses Beatrix te voorkomen. Peter Römer en zijn zoon Thijs zorgden er samen voor dat Baantjer te zien was in de bioscoop. Peter vervolgde de populaire ‘De Cock’-reeks, waarvan meer dan zeven miljoen exemplaren werden verkocht. Hij schrijft geheel in de geest van Appie Baantjer, maar met eigen pen. In september dit jaar verschijnt het 85ste deel van de serie, die Römer samen met zijn vrouw schreef. Een waar Baantjer jaar. Dankzij Peter. En daarmee een waar Peter Römer jaar.

Dit najaar verschijnt de 85ste editie van Baantjer. Krijgt het een speciaal thema?
“Het zal De Cock en de Levende Doden heten. Bij dit soort jubileumdeeltjes zoek ik altijd een aansprekende, iconische omgeving in Amsterdam om de moord te laten plaatsvinden. Ik ga uit van de omgeving, dat deed ik vroeger bij de televisie ook. Dan gingen we alle attracties van Amsterdam af. ‘Waar kunnen we een lijk neerleggen?’ Ik heb zelf nog weleens Baantjertours geleid langs alle Baantjermoordplekken. Voor het 85ste deel heb ik gekozen voor de Stopera. Wat niet de Stopera mag heten, wist je dat? ‘Stop de Opera’ zegt het eigenlijk. Een protestleus, een scheldwoord. Cees Dam, de architect van het gebouw, krijgt nog altijd een bloedspuwing als je dat woord gebruikt. Dat was heel heftig. Het was het eerst dat er in Amsterdam een bouwwerk beschermd moest worden met hekken omdat mensen de bouw anders zouden saboteren. Tegenwoordig heb ik een schoondochter die prima ballerina bij het Nationale Ballet is, Igone de Jongh. Het leek me daarom leuk om deze speciale editie in die wereld af te laten spelen.”

Hoe houd je het schrijven voor jezelf en ook voor de lezer interessant?
“Dat zit ‘m toch in de dingen zoals de locatie waar het verhaal zich afspeelt en het milieu. Daarin creëer ik een paar nieuwe karakters en dat vind ik het grappigste van het geheel, de mensen die een keer voorbijkomen en het verhaal kleur geven. Dát houdt het spannend. Er is een vaste formule, maar ik probeer zo ver weg als mogelijk van de eerdere moorden te blijven.”

De onderzoeksmethoden voor de recherche zijn door de jaren heen aanzienlijk veranderd. De typemachines die de tafels op het bureau op de Warmoesstraat bevolkten, maakten veel geluid. Een laptop is stil. Het is een van de dingen die in the making of van de film aan bod kwam. Hoe ga jij hiermee om in de boeken?
“Je creëert je eigen werkelijkheid; het bureau aan de Warmoesstraat is er niet meer, maar bestaat wel. Binnen de grenzen van het geloofwaardige probeer je zoveel mogelijk je eigen wereld te creëren. Tegenwoordig is alles ingedeeld naar soort; cybercrime, dit soort crime, dat soort crime. Dat probeer ik allemaal over te slaan. Boeken waarin te veel computershit in zit, vind ik persoonlijk niet erg interessant. Er zit geen emotie in. Er zijn mobieltjes, in een deel dat ik schreef zit zelfs een deel van de oplossing in een Twitterbericht. Het hoort tot de belevingswereld van de lezer, dus het mag en kan er wel een beetje in. Ik wil er niet omheen, maar ik ga er ook niet heel erg realistisch mee om.”

En taaltechnisch? Taalgebruik nu is anders dan bij aanvang bij de serie.
“Ik schrijf natuurlijk anders dan Appie. Toen ik aan het vervolg begon, ging ik onderzoeken wat nu de magie is van zijn boeken. Wat is de reden dat al die honderdduizenden mensen altijd weer die boeken kochten?”

Wat waren je bevindingen?
“Het is een vorm van gezelligheid. Het is rond. Warm. Het is cosy crime. Er vloeide gezelligheid uit zijn pen. Zijn De Cock was een beetje ijdele levensgenieter. Een bonhomie. Het was een beetje griezelen, maar het was ook veilig. Er was een moord, maar die werd ook weer opgelost. Hij heeft met De Cock iets gecreëerd dat ons allemaal aanspreekt, dat onze mentaliteit aanspreekt. Toen de serie op tv kwam – een politieserie op een commerciële zender – liet NRC zich voor het eerst uit over Baantjer. In positieve zin.”

Is die erkenning belangrijk?
“Ik wil er eigenlijk maar mee zeggen dat De Cock, ook zoals mijn vader hem heeft gespeeld, hele brede lagen van de bevolking aansprak. En nog altijd aanspreekt. Het karakter van de man, zowel op papier als op tv, heeft iets waar we allemaal voor vallen. Het is een gewone Nederlander, niet simpel, maar met een goed hart die het beste met iedereen voor heeft. Hij droeg geen wapen, hij vloekte niet en ging niet vreemd. Hij heeft geen vlekjes zoals de meeste stereotype rechercheurs die je in boeken tegenkomt en vrijwel allemaal aan de drank of drugs zijn. Dát is de kracht van Baantjer. Niet zozeer hóe de boeken geschreven zijn.”

Maar waar zitten de rafelranden? We lezen ook graag over helden, maar we willen ook heel graag lezen over en leren van het schuren. Niemand is perfect.
“Behalve De Cock. Daar zit geen rafelrandje aan. Ik heb het niet kunnen vinden in ieder geval. Mensen spiegelen kennelijk hun beste zelf in hem. Hij staat boven alle partijen.”

Is niemand intrinsiek slecht?
“Nee. Maar iedereen is in staat tot deze daden. Dat weet ik zeker. En mijn interesse ligt daarom bij de persoon die naast jou in bed ligt, niet bij degene die onder jouw bed ligt. Je denkt dat je je lot in handen hebt, maar je bent overgeleverd aan willekeur en toeval die jou brengen naar een plek waar je helemaal niet wilt zijn.”

"Het karakter van de man, zowel op papier als op tv, heeft iets waar we allemaal voor vallen. Het is een gewone Nederlander, niet simpel, maar met een goed hart die het beste met iedereen voor heeft. Hij droeg geen wapen, hij vloekte niet en ging niet vreemd. Hij heeft geen vlekjes zoals de meeste stereotype rechercheurs die je in boeken tegenkomt en vrijwel allemaal aan de drank of drugs zijn. Dát is de kracht van Baantjer."

In hoeverre werden jullie thuis gestimuleerd om je eigen keuzes te maken?
“Mijn vader heeft nooit de carrières van zijn kinderen ondersteund. Men denkt dat we naar het toneel zijn gebracht door mijn vader, maar dat is niet waar. Met een beroemde vader moet je aan veel hogere verwachtingen voldoen, je ligt veel meer onder een vergrootglas. Een naam kan best belastend zijn. Nu heb ik er niet zozeer last van gehad in de toneelwereld zelf, maar wel daarbuiten. Ze dachten dat mijn vader mijn kruiwagen was. Je hebt geen idee als je dat denkt. Mijn vader was een eik. Hij stond over ons heen en als je niet ontzettend hard werkte en je best deed dan kwijnde je weg in de schaduw van die eik.”

Kwam dat voort uit Calvinisme, was hij streng?
“Nee, hij was niet streng, maar hij had wel een hoog arbeidsethos. En dat hebben wij meegekregen.”

Kon hij ook genieten?
“Oh, jazeker. Hij hield het licht ook niet bewust bij ons weg. Het was een zorgelijke man, maar ook een vrolijke man. Hij had duidelijk twee kanten en zijn gemoedstoestand beïnvloedde de hele kamer waarin hij zich bevond. Al had hij dat meestal zelf niet in de gaten. Hij had een enorme angst voor armoede. Tot op het laatste moment van zijn leven. Nee, hij was niet zuinig, maar wel zeer behoedzaam. En tobberig. Ik heb veel met hem samengewerkt, en al waren we vader en zoon; alles wat acteurs flikten, flikte hij ook.”

Wat was dat dan, wat flikten ze?
“Om een voorbeeld te geven: we deden een serie samen die ik zowel had geschreven als regisseerde en ik speelde er zelf ook nog een rol in. En dan stond hij achterin met zijn maten een glaasje te drinken en te ouwehoeren. Ik had toen nog niet de kracht en de macht om er iets van te zeggen. ‘Ga lekker naar huis als je niet werkt pik.’ Zo lagen de verhoudingen alleen niet en zo ver was ik op dat moment ook nog niet. Als producent moet je soms de grens trekken, maar dat heb ik enkele keren niet gedaan. Het was beter geweest voor mij, mijn hart, mijn zielenrust en zelfs voor het bedrijf als ik bepaalde keuzes wél had gemaakt. Ik was beter met de inhoud, niet met het zakelijke.”

In een van de laatste delen van Baantjer begint het boek met een passage over Cor, een collega van hem aan wie de laatste eer wordt bewezen en hij herinnert zich dat het iemand was die het altijd moeilijk had gevonden om zich te schikken in de pikorde. Hij wilde zijn eigen weg gaan, eigen baas zijn. Is dat kenmerkend voor jouw vader, voor jullie familie?
“Zeker. Mijn vader heeft dat, mijn jongste zoon Bram heeft dat. Ik heb dat. We willen gelijkwaardig werken. Mijn vader had een enorme hekel aan autoriteit. Hij speel de grootste politieman ter wereld, maar hij kon de politie niet zíen!”

In welke zin lijk je nog meer op hem?
“Ik herken vrij veel van mezelf in hem. Onafhankelijkheid. Verantwoordelijkheid voor de omgeving, dat alles goed loopt, beschermen, het huis moet op orde zijn. Ik lijk qua uiterlijk op hem. En er zijn dingen waar ik tegen vecht, omdat ik die kant niet prettig vind. Hij kon rancuneus zijn. Ik wil dat niet. Hij kon niet geven. Affectie. Ik weet dat hij van ons hield en dat hij trots op ons was, maar hij heeft dat nooit gezegd. Het kwam niet in hem op. Ik wil een aardig mens zijn. Al moet je voorkomen dat dat uitmondt in pleasen. Dat doe ik nu niet meer, vroeger heb ik dat te veel gedaan.”

Was de goedkeuring van je vader belangrijk voor je?
“Is de goedkeuring van jouw vader belangrijk voor jou? We willen gezien worden door onze ouders. Maar mijn vader kon het gewoon niet. Hij kreeg het van zijn vader ook niet. Hij kwam niet uit een liefdevol gezin. Hij heeft gedaan voor ons wat binnen zijn vermogen lag, ons maximaal te beschermen.”