Interview

Jan Siebelink: "Zou ik maar met God kunnen spreken."

Door: Monique
29-03-2018
Header De Bloemen Van Jan Siebelink

Jan Siebelink is onlangs 80 jaar geworden. Van de schrijver van onder meer Knielen op een bed violen, Margje en De buurjongen verscheen kort geleden De bloemen van Jan Siebelink, een fijnzinnige beschrijving van bloemen en planten met verwijzingen naar de rol die zij spelen in zijn vele romans. De uiterst productieve Siebelink die tot zijn pensioen leraar Nederlands en Frans was, publiceerde vanaf zijn debuut in 1975 bijna elk jaar een boek. Zijn doorbraak bij het grote publiek kwam op zijn 67ste toen hij met Knielen op een bed violen in 2005 de AKO Literatuurprijs won. De ruim 1,2 miljoen kijkers van De Wereld Draait Door zagen woensdagavond aan het eind van de uitzending dat Jan Siebelink is uitgeroepen tot de schrijver van het Boekenweekgeschenk 2019.


Toen u het manuscript van Knielen op een bed violen inleverde bij de uitgever schreef u in de begeleidende brief: ‘Dit is de eerste keer dat ik een manuscript met een kort briefje begeleid. Het bevat de roman die ik tot nu toe niet heb durven of kunnen schrijven, maar die boven alles zweefde wat ik vanaf mijn debuut Nachtschade heb gepubliceerd. Ik ben altijd bang geweest om het complete verhaal te vertellen van die zachtmoedige, in zijn jeugd verwonde man, die vlucht in een mystiek protestantisme.’ Waar was u precies bang voor?

In de verhalen en boeken die ik daarvoor heb geschreven kwam die vader ook al aan de orde, maar dat waren allemaal incidenten. Het idee is ontstaan op de dag dat ik 65 jaar werd. Toen dacht ik aan mijn vader die op zijn 65ste verjaardag begraven is. Hij stierf vier dagen eerder. Ik wilde voor mezelf vertellen hoe die kwekerij erbij lag, hoe het eraan toeging, wat mijn vader meegemaakt heeft, wat ik in het gezin gezien heb en hoe we ons paradijs verloren. In dat briefje sprak ik een beetje namens mijn ouders, zij zouden het misschien niet op prijs gesteld hebben dat deze roman verscheen. Mijn moeder zou gezegd hebben dat het allemaal heel anders was dan hoe ik het beschreven heb.

Wat heeft u moeten overwinnen om deze heel intieme gebeurtenissen op te schrijven? 

Ik ben pas gaan schrijven na de dood van mijn vader. Toen ik Knielen op een bed violen schreef waren mijn beide ouders overleden. In het gezin waaruit ik kom, was men niet gewend om feiten te onderscheiden van literatuur. Ik heb één ding uit het leven van dat gezin genomen, het religieuze element en dát heel sterk benadrukt. Ik heb vooral heel veel weggelaten zoals de vele familieleden van mijn vader die altijd allemaal op verjaardagen kwamen. Het was een heel gezellig gezin. Maar de feiten in het boek zijn waar. Mijn vader had de kwekerij, hij had dat heel strenge calvinistische geloof dat invloed op ons gezin heeft gehad en nog steeds invloed heeft op mij. De relatie met mijn vader was heel goed tot het geloof ertussen kwam. Ik zat tussen twee vuren, want ik zag dat hij mijn moeder verdriet deed. Ik probeerde als kleine jongen al de last op me te nemen om in de kwekerij te helpen, om mijn vader bij te staan, planten te verkopen en geestelijk op het niveau van mijn vader te komen. Dat gevoel is bij mij nog steeds zeer sterk aanwezig. Ik kan nu nog ’s nachts even wakker liggen van wat daar gebeurd is, van de angst dat de planten niet verkocht werden, dat er geen klanten kwamen, dat uitgebloeide planten naar de composthoop moesten. Ik zit er nog steeds middenin, dat is heel curieus.

U schrijft in De Bloemen van Jan Siebelink: ‘In het algemeen staat mijn denken bij het schrijven van een roman op een laag pitje. Ik laat het voor een groot deel aan de roman over.’ Wat bedoelt u daarmee? 

Je hebt het natuurlijk van te voren overdacht. Het idee is tegelijkertijd vaag en precies: er is een gezin en daar gebeurt iets mee, er komt een conflict, het speelt zich af in een bepaald decor. Je bent helemaal vrij als je nog niets geschreven hebt. Zodra je de eerste zin op papier zet ben je al een beetje minder vrij want er wordt gereageerd op die zin en dan neemt de roman het over. Het rationele denken is meer iets voor een essay, in een roman gaat het over hoe mensen met elkaar omgaan en welke gevoelens ze hebben, hoe ze reageren op elkaar. De ene zin roept de andere op, het gaat vloeien. In die zin schrijft de roman zichzelf. Ik denk ondertussen heus wel mee want het moet voor de lezer acceptabel zijn wat je schrijft. Maar als ik eenmaal op gang ben, gebeuren er dingen die ik van tevoren niet bedacht heb.

Heeft u er een verklaring voor waarom fanatieke gelovigen zo destructief kunnen zijn? 

Mijn vader was niet bewust destructief of kwaadwillend, hij zou geen vlieg kwaad doen maar door dat strenge geloof is hij toch per definitie wreed ten aanzien van zijn vrouw en kinderen want hij drijft zijn eigen zin door. Hij was daarin heel egocentrisch. Als je mystieke grenzen overschrijdt, iets onzichtbaars aanbidt en daar heel gepassioneerd in meegaat, dan doe je de ander tekort. Mijn moeder was veel aardser, realistischer. Zij liep ’s nachts van de zorgen te banjeren over de overloop. Mijn vader ging in bed liggen en viel meteen in slaap. Strenggelovigen zijn niet geneigd tot destructie, maar het is het gevolg van de weg die ze gaan bewandelen ten koste van anderen.

In Margje trekt de jongste zoon Thomas de jurk van zijn moeder aan. Henk, de hoofdpersoon uit De buurjongen doet dat ook en koopt zelfs jurken voor zichzelf die hij op zolder aantrekt. ‘Eindelijk, het echte genot,’ zegt hij dan. Hij raakt er opgewonden van. Maarten ’t Hart heeft zich ook een periode als vrouw gekleed. Hebben travestie en het protestantse geloof iets met elkaar te maken? 

Ik weet niet of het calvinisme dat teweegbrengt bij jongens. Ik wilde als puber graag de kleren van mijn moeder aantrekken, precies zoals Henk dat doet op zolder. Die fase heeft bij mij een half jaar geduurd. Het komt in mijn boeken trouwens veel vaker voor dat jongens de jurken van hun moeder dragen. Travestie fascineert mij wel, er zit iets lekkers in. Henk geniet ervan om alleen op zolder jurken aan te trekken tot hij door de vloer zakt. In werkelijkheid hadden wij ook zo’n zolder met balken waar dunne platen op lagen. Er was altijd de angst dat ik daar doorheen zou zakken. Henk uit De buurjongen wil voelen hoe het is om een vrouwenlichaam te hebben.

Gerard Reve heeft ooit gezegd dat ‘een schrijver die ertoe doet, telkenmale hetzelfde boek schrijft in steeds weer een andere vermomming’. 

Dat doe ik ook. Een echte schrijver heeft uiteindelijk maar één verhaal dat je in allerlei vormen kunt presenteren. Je moet er wel voor zorgen dat het ene verhaal steeds vanuit een heel andere optiek geschreven wordt. Het komt natuurlijk allemaal uit mezelf. Ik zit in al mijn personages. Ook als ik een vrouw beschrijf zit in haar iets van mij.

Is het belangrijk dat God een mannelijke figuur is? Raakt dat aan homo-erotische verlangens? Bij Gerard Reve bijvoorbeeld wel. U laat Ruben en Henk bij elke begroeting elkaar op de mond zoenen in De buurjongen

Iedere vriend wordt bij de begroeting door mij twee of drie keer op de wang gezoend en stevig omhelsd. Mijn vriend de kunstenaar Klaas Gubbels zoen ik altijd op de mond. Als het niet lukt omdat er mensen zijn die ons net een hand willen geven, dan zoeken we elkaar nog even op om dat alsnog te doen. Dus dat zoenen van Ruben en Henk is een beschrijving van mijn vriendschap met Klaas Gubbels. Het heeft niet met echte erotiek te maken maar met totale opoffering en liefde van Ruben en Henk voor elkaar.

Hoe is uw verhouding met God op dit moment? 
Zou ik maar met God kunnen spreken. Dat verlangen heb ik absoluut. Ik zou een teken willen krijgen dat het goed met mij afloopt als ik er niet meer ben. Genade, of dat er hierna nog een ander leven wacht waarvan we geen beeld hebben. Ik ben niet los van God, ik ben juist nog steeds heel erg zoekend. Maar wat moet ik doen? Je kunt wel hopen dat er leven na de dood is, maar geloof is genade, het moet je gegeven worden. Ik wil eigenlijk meemaken wat mijn vader heeft meegemaakt. Ik heb de drang naar de mystiek van hem geërfd. Ik wil zicht krijgen op het onzichtbare. Ik worstel daarmee. Soms als ik moe ben en op tv naar een stomme voetbalwedstrijd kijk, denk ik: daar kan ik de eeuwigheid ook niet mee verdienen. Die worsteling is de motor om door te gaan met schrijven. Ik geloof dat ik onkwetsbaar ben als ik in een roman zit, dat ik hem mag afmaken. Maar dat is in wezen bedrieglijk. Wat mij in deze tijd dwarszit is het honend spreken over het geloof, dat zou ik nooit doen. Ik zou nooit God met een woord tarten, want je weet maar nooit.

Werkt u aan een volgende roman? Misschien eens over de oorlogstijd? 

Ik probeer nu een mooie novelle te schrijven, dat heb ik in het verleden ook al gedaan zoals Oponthoud (1979) en Oscar (2012) die beide zo’n 70 bladzijden lang zijn. Ik heb niet veel over de oorlog geschreven omdat ik die tijd nog niet goed in een verhaal kan krijgen. Maar ik ben helemaal niet bang dat ik niet voldoende stof heb. Ik beleef alles ook heel intens. Over de novelle mag ik nog niks zeggen, maar binnenkort hoor je erover.

Wil je altijd op de hoogte zijn van de boeken binnen jouw favoriete genre? Stel je voorkeur in en ontvang updates.

Final Monique Slider Monique