Leesclub

Leesfragment: Schorshuiden

I

foret, hache, famille
1693-1716 

1
Trépagny

In de avondschemering passeerden ze bloedrood Tadoussac, Kébec en Trois Rivieres en tegen de ochtend legden ze aan bij een afgelegen gehucht aan de rivier. René Sel, steil zwart haar, spleetogen – yeux bridés; in een ver verleden hadden binnenvallende Hunnen zijn volk te grazen genomen – hoorde iemand zeggen: ‘Wobik.’ Muggen bedekten hun handen en nek als een bontvel. Een man met gele wenkbrauwen wees hun een zwart verregend huis aan. Modder, regen, stekende insecten en de geur van wilgen, dat was hun eerste indruk van Nieuw Frankrijk. De tweede was die van uitgestrekt, donker bos, vijandige wildernis.
De nieuwkomers, die in de regen stonden te wachten tot ze geroepen werden om een kruisje te zetten in een groot boek, zagen de boeren opeengepakt onder een grote, beschutting biedende spar staan. De boeren staarden hen aan en wisselden commentaar uit.
Toen René aan de beurt was, zette hij niet alleen een kruisje maar ook de letter R, ontsierd door een vlekje inkt van de ganzenveer, een letter die hij als kind geleerd had van de oude priester, die zei dat het het begin was van René, zijn naam. Maar de priester was in de winter verhongerd voordat hij hem de volgende letters had kunnen leren.
Gele Wenkbrauwen bekeek de R. ‘Geleerd kereltje, jij, he’, zei hij.
‘Monsieur Claude Trépagny!’ brulde hij, waarop Renés nieuwe meester, een sloffende, gespierde man, hem naar voren wenkte. Hij had een dikke stok bij zich, als een knuppel. Regendruppels bleven hangen in de wol van zijn gebreide muts. Dikke wenkbrauwen konden zijn priemende blik – het oogwit zo wit en helder dat het, ten onrechte, op een opgewekt karakter leek te duiden – niet verzachten. ‘We moeten nog even wachten’, zei hij tegen René.
De vochtige lucht zakte dieper. Ze wachtten. Gele Wenkbrauwen, die door zijn nieuwe meester monsieur Bouchard werd genoemd, brulde opnieuw ‘Monsieur Trépagny!’, die dit keer een bekende ophaalde,
Charles Duquet, een schriele engagé van het schip, een slappeling uit de Parijse achterbuurten di e tijdens de reis meestal als een gebroken tak ergens in een hoek had gelegen. Monsieur Trépagny had dus twee knechten genomen, dacht René. Misschien was hij rijk, al lag zijn doorweekte mantel, zijn drouguet, aan flarden.
Monsieur Trépagny stampte het modderige pad op in de richting van een streep zwarte mist. Hij wierp zichzelf eerder naar voren op zijn verschillende benen, het ene soepel, het andere stijf, dan dat hij liep.
‘Allons-y’, zei hij. Ze stortten zich in het duistere landschap, een ondoordringbaar woud van hardhout afgewisseld met groepen dennen. René durfde niet te vragen wat voor diensten hij straks moest gaan leveren. Na jaren van mannenwerk, houthakken in de heuvels van de Morvan, wilde hij geen huisknecht zijn.
Na een paar uur ging de natte bladschimmel over in humeuze dennengrond. Er hing een zwaar aroma in de lucht. Afgevallen naalden dempten hun voetstappen, de verstrengelde takken absorbeerden hun hijgende ademhaling. Er groeiden hier gigantische bomen, met afmetingen die in het oude land al in honderden jaren niet meer voorkwamen, groenblijvende bomen groter dan kathedralen, tot in de wolken reikende sparren en dennen. De bladverliezende woudreuzen stonden op enige afstand van elkaar, maar hun dichtbebladerde takken sloten zich aaneen tot een valse hemel, donker en woest. Achille, zijn oudere broer, zou versteld gestaan hebben over de bomen in Nieuw Frankrijk.
Laat in de middag passeerden ze een helling vol glanzende witte stammen. Dat waren bouleaux blancs, zei monsieur Trépagny, en van hun schors maakten de sauvages huizen en boten. René geloofde er niks van.
De grote bomen deden hem weer aan zijn broer Achille denken, een flotteur die in zijn korte leven de koude Yonne in en uit was gesprongen om de stroomafwaarts drijvende stammen bij te sturen. Hij was sterk geweest, ongevoelig voor de waterkou, hij had gewerkt tot een stam met een gebroken tak, die door de wrijving van het water zo puntig en glad als een speer was geworden, zijn blaas had doorboord en hem als een homp vlees aan een spit had meegesleurd. René droeg nu zijn broers ondergoed, wollen broek en zijn korte jas. Hij droeg ook Achilles klompschoenen, hoewel een blootsvoets leven hem zo veel eelt op zijn voeten had bezorgd dat ze zo hard waren geworden als koeienhoeven, bestand tegen de Franse kou. Hij zou erachter komen dat in deze nieuwe wereld de kou van een andere orde was.
De engagés, duizelig van het bedwelmende effect van het oerwoud, struikelden over sparrenwortels die alle kanten op kropen. Ze werden aangevallen door bébites, bijna onzichtbare zandvliegjes, die prikten als verhitte naalden, zwarte vliegjes met een pijnloze beet waarmee ze een langzaam werkend gif verspreidden, muggenzwermen zo talrijk dat hun schrille gezoem het geluid van het bos was. Bij een moeras zei monsieur Trépagny dat ze hun blote huid, vooral achter de oren en op hun kruin, met modder in moesten smeren. De insecten kropen in je haar en staken in je hoofdhuid. Daarom droeg hij in dit vermaledijde land een wollen muts, zei monsieur Trépagny. Een ijzeren helm leek René een betere keus. Monsieur Trépagny zei dat de sauvages een beschermende zalf maakten van sparrennaaldolie en diervet, maar dat had hij niet. Met modder ging het ook. Ze liepen verder door het schimmige bos, klimmend over mossige bulten, onder takken door die neerhingen als donkere lijkwaden. Hun benen, verzwakt door de lange zeereis, verkrampten van vermoeidheid.
‘Hoe groot is dit bos?’ vroeg Duquet met een klaaglijk hoog stemmetje. Hij was nauwelijks groter dan een kind.
‘Het is het wereldbos. Het is eindeloos. Het kronkelt als een slang die in zijn eigen staart bijt, het heeft geen einde en geen begin. Niemand heeft ooit de uiterste grenzen gezien.’
Monsieur Trépagny hield halt. Met zijn stok sloeg hij droge sparrentakjes los aan de voet van een stam. Hij haalde een tondeldoos onder zijn mantel vandaan en maakte een vuurtje. Ze kropen eromheen, strekten hun paarse handen ernaar uit. Hij vouwde een doek open waarin een homp elandvlees zat en sneed voor ieder een plak af. Uitgehongerd zette René, die alleen op brood had gerekend, zijn tanden in het vlees en scheurde er een stuk af. De grijze muggen zoemden om zijn oren. Duquet keek tussen zijn gezwollen oogleden door naar het vlees en sabbelde erop omdat hij niet in staat was te kauwen. Onder monsieur Trépagny’s gulheid vermoedden ze minachting.
Ze liepen verder door een wirwar van afgebroken takken, het gevolg van een zware storm, waarbij monsieur Trépagny geen waarneembaar pad volgde maar wel regelmatig omhoogkeek. René zag dat hij tekens volgde, tekens die op drie meter hoogte in bepaalde boomstammen gekerfd stonden. Later hoorde hij dat iemand de bomen in de winter had gemerkt door als een gewichtloze tovenaar op sneeuwschoenen hoog boven de grond te lopen.
Het bos had vele randen, als een kanten altaardoek. Open plekken verzachtten het sombere duister. Onbekende planten en vreemde bloesems trokken hun aandacht: rouwende naaldbomen, de felgekleurde bolletjes aan de uiteinden van dennentakken, zilverachtige, zwiepende wilgen, het muntgroen van jonge berken, een plek waar zelfs het zonlicht groen was. Toen ze een open plek naderden, hoorden ze een onregelmatig getik als van stokken: grijze botten die opgehangen waren in een boom en heen en weer zwaaiden. Monsieur Trépagny zei dat de sauvages de botten van een gedood dier vaak ophingen nadat ze de geest van het dier bedankt hadden. Hij leidde hen om beverpoelen, beschut door bijna ondoordringbare elzenbosjes, heen en waarschuwde dat de smalle paadjes vluchtroutes van elanden waren. Ze trokken door nat gebied. Kuilen vol theekleurig regenwater. Het trillende veenmos vol bekerplanten zoog bij iedere stap. De jongemannen hadden nooit gedacht dat er een land zo woest en nat, zo dichtbebost bestond. Toen
Duquet zijn jas openhaalde aan een elzentak, vloekte hij zacht. Monsieur Trépagny hoorde het en zei dat hij nooit een boom moest vervloeken en zeker geen els, die genezende kracht had. Ze dronken uit riviertjes, staken ondiepe stroomversnellingen over, met stroomrafels als gevlamde kromzwaarden. O, hoelang nog, mompelde Duquet, met zijn hand op zijn wang. 

Ze kwamen weer in open bosgebied waar je makkelijk onder de bomen door kon lopen. Sauvages hadden het kreupelhout weggebrand, zei hun nieuwe meester op laatdunkende toon. In de namiddag riep monsieur Trépagny opeens ‘porc-épic’ en keilde zijn wandelstok weg.
De stok draaide een keer om zijn as en raakte het stekelvarken vol op de neus. Het dier stortte neer als een vallende ster met een staart van bloeddruppels. Monsieur Trépagny legde een groot vuur aan en toen de vlammen tot donkerrode staafjes waren geslonken, hing hij het ontweide dier boven de kooltjes. De brandende stekels stonken, maar toen hij het karkas van het vuur haalde, bleek het vlees onder de geblakerde korst prima te smaken. Uit een van zijn bodemloze zakken haalde monsieur
Trépagny een zakje zout en gaf ieder een snufje. Het overgebleven vlees wikkelde hij in een vettige lap. De meester legde meer hout op het vuur, wikkelde zich in zijn mantel, ging onder een boom liggen, sloot zijn vurige ogen en viel in slaap.
Renés benen waren totaal verkrampt. De kou, het gesis van de wind in de sparren, de vleierige muggen en roepende uilen hielden hem wakker.
Hij praatte zachtjes tegen Charles Duquet, die geen antwoord gaf, en uiteindelijk zweeg hij. ’s Nachts werd hij half wakker van iets.
De ochtend begon met vuur. Hoewel het al laat in het voorjaar was, was het kouder dan in het koude Frankrijk. Licht kroop langzaam het duister in. Monsieur Trépagny, knagend aan een restje vlees, gaf Duquet een trap en brulde: “Levé!” René was op voordat monsieur Trépagny ook hem een trap kon geven. Hij keek naar het vlees in monsieur Trépagny’s hand. De man rukte er een stuk af en wierp het hem toe, rukte er nog een stuk af en wierp het naar Duquet, zoals je etensrestjes naar een hond gooit, daarna ging hij met zijn onvermoeibare, slingerende tred op pad, van het ene merkteken hoog in de bomen naar het volgende. De nieuwe knechten zagen enkel duisternis, behalve achter hen, waar het verlaten vuur verleidelijk flakkerde.
Het was een koude maar droge dag. Monsieur Trépagny hobbelde over een schemerig pad, maar ’s middags keerde de regen terug. Versuft van vermoeidheid bereikten ze grommend water, een zwarte rivier die niettemin doorschijnend was als hoornkiezel. Aan de overzijde zagen ze een open plek vol stapels hout, ingesloten door het alomtegenwoordige bos. Uit een onzichtbare schoorsteen steeg rook op. Het huis konden ze niet zien, alleen bergen hout en bijgebouwen.
Monsieur Trépagny gaf een schreeuw. Een vrouw in een tuniek van elandhuid, beschilderd met krullerige tekens, kwam achter de dichtstbijzijnde houtstapel vandaan, riep ‘kwe!’ en draaide zich weer om. René Sel en Charles Duquet staarden elkaar aan. Een indiaanse. Une sauvage!
Ze volgden monsieur Trépagny de ijskoude rivier in. René gleed uit op een ronde rivierkei en viel half, waardoor hij aan Achille moest denken, aan de ijzige Yonne. Vissen weken voor hen uit en schoten voorbij, zo veel vissen dat de rivier gemaakt leek van harde spieren. Op de modderige oever kwamen ze langs een omheinde moestuin vol onkruid.
Monsieur Trépagny begon te zingen: ‘Mari, Mari, dame jolie …’ De engagés zwegen. Duquet klemde zijn lippen opeen alsof de lucht brandde, zijn ogen waren zo gezwollen dat ze bijna dichtzaten.
Voorbij de houtstapels zagen ze monsieur Trépagny’s huis, de eerste keer dat ze een blokhut in de pièces-sur-pièces-stijl zagen, met het steile schilddak en de klokvormige dakranden die ze uit Frankrijk kenden. Maar alle onderdelen waren van hout, behalve drie kleine raampjes, waar duur Frans glas in zat. Tegen de bosrand zagen ze een wikuom, de van boomschors gemaakte woning van de indiaanse, waar ze zich ’s nachts met haar kinderen terugtrok, zo hoorden ze de volgende dag.
Monsieur Trépagny nam hen mee naar zijn voorraadschuur. Het stonk er naar rottende aardappels, moerashooi en koeienstront. De schuur was in tweeën gedeeld met een schot, waarachter ze een beest hoorden ademen. Ze zagen een zwarte vuurkuil, een smeltoven. Monsieur Trépagny, die zijn eigen stem graag hoorde, bleef maar zingen, hij legde een vuur aan in de kuil en liet hen alleen. Buiten stierf zijn stem weg. ‘Ah! Bonjour donc, franc cavalier …’ Het begon weer te regenen.
René en Duquet zaten in het donker, op het licht van het uitdovende vuur na. Er zaten geen ramen in de schuur en toen Duquet de deur opendeed om wat licht binnen te laten, werden ze belaagd door zwer- men felle steekvliegen en muggen. Dus bleven ze in het halfdonker zitten.
Duquet deed eindelijk zijn mond open. Hij zei dat hij last had van mal de dents – kiespijn – en dat hij er bij de eerste de beste gelegenheid vandoor zou gaan, terug naar Frankrijk. René zweeg.
Na een tijdje ging de deur open. De indiaanse en twee kinderen kwamen binnen met hun armen vol. De vrouw zei ‘bien, bien’ en gaf hun elk een tuniek van beverbont. Ze wees naar zichzelf en zei ‘Mali’, want zoals de meeste Mi’kmaqs vond ze het moeilijk om de letter R uit te spreken. René zei zijn naam en zij herhaalde hem: ‘Lené.’ Het grootste kind zette een houten kom met warm maismeel neer. Daarna verdwenen ze. René en Duquet schepten de pap met hun vingers uit de kom.
Ze wikkelden zich in de tunieken en vielen in slaap.