Fragment Sport Der Koningen
Leesclub

Leesfragment: Sport der koningen

I

DE VREEMDE FAMILIE
DER DINGEN

Uw geest zal zich van lieverlee verspreiden door het gehele grote lichaam van het keizerrijk om alles samen te voegen naar uw ge-lijkenis. - Seneca

‘Henry Forge, Henry Forge!’
Hoe ver kun je bij je vader vandaan rennen? De jongen verdween tussen de mais, waarvan de groene bladeren zwiepten en smiespelden terwijl hij door de overhuifde laantjes holde. De stengels bleven één, twee keer aan hem haken, en hij slaakte een kreet als een gewonde vogel, greep naar zijn elleboog, maar viel niet. Op het schoolplein had hij eens gezien hoe een jongen zijn arm brak; met het geluid van een knappende tak was het dikke bot doormidden gegaan, en toen de jongen opstond, hing zijn arm scheef en stak het bot naar buiten als een gespleten pollepel–
‘Henry Forge, Henry Forge!’
Ten eerste: ik ben Henry Forge.
Zijn vaders stem echode over de kromgetrokken tafel van de aarde, domine deus omnipotens, dictator perpetuo, vivat rex, Amen! De dikke maisliezen hieven hun kolven op naar het geluid, maar de jongen draafde over de landbouwgrond, grond die al generaties lang mais voortbracht en ooit vee had gevoed, met zijn stomme gegraas en meststank. Hij was vee spuugzat en hij was pas negen.
Ten tweede: curro, currere, cucurri, cursus. Ik blijf maar rennen.
Dom kind, hij kon niet weten dat de planten hem aankondigden, dat het vlasachtige dak van de mais danste en schudde als hij passeerde, om daarna weer te vervallen tot bedeesde rust, of dat zijn vader hem niet achternakwam, maar vanaf de veranda zijn dwaze route volgde. Op de eerste verdieping ging piepend een raam open, en daaruit staken een blond stemloos hoofd en een bleke, merkwaardig veelzeggende hand die gebaarde naar John Henry, John Henry. De hand bonsde twee keer op de vensterbank. Maar de man bleef gewoon waar hij was, met zijn ogen gericht op de overhaaste aftocht van zijn zoon.
De jonge jongen ging nu langzamer door de valse veiligheid van afstand. Hij bokste met de mais, die het nu eens waagde een schijnbeweging te maken en terug te komen, dan weer bij de stengel afbrak. Dat kon hem niet schelen; zijn geest weigerde verder te gaan naar een toekomstige tijd waarin genoegdoening kon worden verwacht of geëist. Hij had plezier in zijn vlucht, geleend plezier met als onderpand een toekomst die nu onmogelijk leek. Hij was de stier bijna vergeten.
Ten derde: heren van de jury, ik ben onschuldig!
De mais braakte hem uit. Met zijn gezicht onder de krassen door de spitsroeden, zijn handen vol maisliezen en haar dat van schrik zijn voorhoofd had verlaten, stond hij naar lucht te happen. Hier is het oude land de oude taal: de rest van de county helt in aflopende hellingen en zompige kommen steil bij de grens van hun land vandaan. De tabaksplanten van de buurman strekken zich zo ver uit als de jongen kan kijken, waardoor de hele bekende wereld lijkt te bestaan uit onmogelijk uiteenlopende tinten groen, de golvende aarde net een uitgestrekte groene zee is met slechts hier en daar een zwart schip van een tabaksschuur, en het groen zo’n doordringende kleur heeft dat het een koel, vruchtbaar bodemmonster belooft tot een mijl onder zijn voeten. In de verte lopen de akkers weer op, golven ze langzaam omhoog, een grazige deken die is uitgeschud naar een onontgonnen lucht. Een rij bomen volgt de deining ver weg aan de overkant, vormt een donker hek tussen twee boerenbedrijven. De daken van de boerderijen zijn zwart als inkt en de voorgevels worden door groenblijvende heesters aan het oog onttrokken, waardoor de wereld ononderbroken zwart en groen en zwart en groen is, louter recalcitrante aarde. Hij weet dat aan de andere kant van die verre horizon nog meer van hetzelfde stralend doorgolft, net zoals hij weet dat al dit land en nog meer ooit van hen is geweest, toen ze door de Cumberland Gap waren gekomen en aanspraak hadden gemaakt op het land, en ze mochten dan niet de eerste familie zijn, maar dat scheelde niet veel. Ze waren in de eerste plaats Kentuckiers, in de tweede plaats Virginiërs en in de derde plaats christenen en het was allemaal eersteklas, zei zijn vader. Het hele vervloekte bedrijf.
Ten vierde: het eerstgeboorterecht is het beste wat een jongen kan hebben.
Hij hoorde het zachte gehinnik van een paard achter de muur van mais en vloog naar het hek dat het land van de Forges scheidde van het eerste tabaksveld van de Osbournes. Hij klauterde over de ruwe planken heen. Een blik over zijn schouder onthulde het trotse rode hoofd van een Tennessee walker* dat de hoek om kwam, en hij schoot naar de eerste planten die inmiddels tot zijn middel kwamen, kroop tussen twee struiken in en ging languit liggen op het vochtige, omgeploegde bed. Zijn gezicht drukte tegen de grond, die rood noch bruin als kleiaarde was toen er vegen oorlogsverf van achterbleven op zijn gehavende wang.
Het paard en de man kwamen de hoek om. De walker was ontspannen en rustig, hield zijn hoofd en nek voortreffelijk recht, had grote ogen, kalm als de maan door de aangeboren bedaardheid van het ras. Het dier speurde gewoontegetrouw zijn omgeving af, vertraagde zijn fraaie tred bij de omheining, stapte vervolgens statig langs de balken. Een hoge staart schoot als een fontein op uit een ingesneden staartwortel, viel daarna langs de koten neer, bijna tot op de grond. De staart beefde en verraadde het vagelijk nerveuze bloed dat door de grotere rust van het paard stroomde.
‘Hmmmm,’ zei zijn ruiter, zo hard dat de jongen het in zijn lage, lommerrijke prieel kon horen. Filip.
Ten vijfde: dit ras was ooit een bezittende soort. Dat staat geschreven in de grootboeken.
De houding van de man was even recht als die van het paard, een kaarsrechte rug alsof elke wervel op de volgende was gesoldeerd. Zijn ene hand had de teugels vast, de andere rustte ontspannen op zijn dij. Een heldergroen blad dat zich nog niet had opgericht belemmerde het zicht op zijn gelaatstrekken, maar de jongen zag het hoofd wel fel glimmen onder dicht donker kroezend haar. Dat hoofd draaide boven op de stijve rug van de ene naar de andere kant.
‘O,’ zei de man ineens, waarna hij de teugels naar links trok, en na één dansende voorbereidende pas sprong het paard met zware gratie over het hek, en de geschrokken jongen schoot als een bleke vis uit de planten om dieper weg te duiken in het tabaksveld. Het paard volgde hem niet, maar bleef aan de rand van het veld staan, danste opzij, met de oren gespitst op de stem van de ruiter.
‘Meneer Henry,’ zei Filip.
Henry repte zich op handen en voeten bij hem vandaan.
‘Martha White ken je pakken,’ zei Filip. ‘Dacht je soms van niet?’
Hij wachtte, toen: ‘Ik zal je pakken op mijn twee eigenste voeten. Dacht je soms van niet?’
Henry wist niet meer waar hij was te midden van de eindeloze tabak. Hij krulde zich om de onderkant van een plant en riep: ‘Ik heb het niet gedaan!’
‘O, ik weet dat je die stier niet heb gedood!’ brulde Filip terug. ‘Dat zweer ik!’
‘Ik weet het, jij weet het. Een andere idioot heb het gedaan,’ zei
Filip. ‘Kom nu uit die planten.’
‘Nee!’
‘Toe nou...’
Henry kwam op wankele voeten overeind, zag eruit als een vluchteling die de zee in is gewaad. ‘Vader is kwaad op me.’
De man haalde een stijve schouder op. ‘Vertel wat er is gebeurd. Redelijke mensen luisteren naar de rede.’
‘Heeft hij je niet achter me aan gestuurd?’
‘Nee,’ zei Filip. ‘Ik zag je ’m smeren as een vos op de vlucht en ben je achternagegaan.’
De jongen beet op zijn lip, speelde met zijn laatste spoortje terughoudendheid, zocht zich toen een weg door de planten naar de rand van het veld. Filip staarde over de scherpe reling van zijn jukbeenderen naar beneden, maar boog zijn hoofd niet toen hij zijn grote hand uitstak, zijn vingers ontvouwde. De witte eeltplekken op zijn huid vielen op als steenpuisten.
‘Waar gaan we naartoe?’ zei de jongen vol achterdocht, terwijl hij nog steeds probeerde te berekenen wat zijn kansen waren als hij de gok waagde.
‘Waar wil je naartoe?’ zei de man.
‘Clark County,’ zei Henry, de eerste plek die hem te binnen schoot. ‘Is het heus?’ zei Filip, en er kraste een droge lach uit zijn doorrookte keel. De jongen kon er niet achter komen wat die lach betekende.
‘Stap op,’ zei hij, en dat deed Henry.
Ten zesde: als je leeft, gok je. Een noodzakelijk kwaad.
Omhooggezwaaid door Filips kracht en zijn eigen sprong, klauterde hij bij de man op schoot, ging schrijlings op de schoft zitten. De korte, brede hals van het paard beefde en trilde onder hem als een dromende hond. Vanaf zijn zitplaats keek hij recht over haar zwarte maantop en neus naar haar brede fluwelen neusgaten.
‘Laten we gaan,’ zei hij.
‘Nog niet. Ik gaan eerst een sigaretje rollen. Hou vast,’ zei Filip, die een pakketje van zilverpapier uit het borstzakje van zijn geruite hemd haalde. ‘Bah, ik heb geen vloe,’ zei Filip, kloppend op zijn zak. ‘Wil je meerijden naar de winkel?’
‘Best,’ zei Henry, die kleine bloeddruppeltjes van zijn knieën in de hals van de vos drukte. Hij wreef ze met een vinger uit en ze verdwenen in het lichaam van het paard, dat even rood was als donkere wijn.
Filip pakte de teugels, en Martha White deed een stapje achteruit en ging recht voor het hek staan.
‘Eroverheen nu,’ zei Filip, en toen het paard vanuit zijn achterhand sprong, greep de jongen geschrokken een hoog punt van haar hals vast, terwijl de man naar de rug van de jongen toe helde, en ze zeilden over het hek.
‘Ga niet langs het huis!’ zei Henry.
Filip trok de teugels hard naar links, en de merrie draaide terug om een flauw spoor rond de buitenkant van het maisveld te volgen, over de grazige voor die de planten scheidde van de omheining. Henry kon net over de toppen van de maisplanten, die tot zijn borst kwamen, en het deinende hoofd van het paard heen kijken. De gekuifde toppen waren voorzien van pluimen en bewogen niet, behalve toen een ronddwalend briesje als een onzichtbare hand over het oppervlak streek, slingerend van het huis naar de kom met tabak achter hen trok. Links van hen liep het zigzaghek van gekloofde planken en in de schaduw daarvan bevonden zich de restanten van zijn voorganger. Dat hek was zeventig jaar geleden neergezet en was weggerot tot het was opgenomen door het gras en de grond. Nu was het alleen nog zichtbaar als een reeks vage dwarse aarden wallen achter het jongere hek.
Henry streelde de manen van het paard. ‘Laat haar mooi lopen,’ zei hij.
Filip klikte twee keer met zijn tong, paste de teugels aan en liet de merrie overgaan op een running walk, wat tot gevolg had dat haar voorbenen leken te zwoegen, doordat ze zich strekten en de ongebogen achterbenen meetrokken, die fier volgden, en dat haar hoofd op en neer ging als bij een hobbelpaard. De natuurlijke drang om te rennen voerde grote druk uit op haar stijve benen, en door die dynamische spanning ging haar rug niet op of neer, waardoor haar berijders voortgleden op haar zelfbeheersing alsof ze op een soepel lopende locomotief zaten. Henry leunde naar achteren, tegen de muur van Filips borst.
‘Doet haar hoofd pijn?’ zei Henry, toen hem opviel hoe schokkerig haar hoofd voor hem op- en neerging.
‘Nee.’
‘Wil ze rennen?’
‘Dat heb ze nooit niet gezeid.’ ‘Ze is net een machine.’
‘Huh.’
Ten zevende: levende wezens zijn de ingewikkeldste machines.