Leesfragmenten

Leesfragment: 't Hooge Nest

T Hooge Nest Header Def

Het nieuwe boek van Roxane van Iperen, 't Hooge Nest is beschikbaar 15 november 2018 en op Lees Magazine kun je alvast exclusief een stukje lezen. Wat er aan dit stuk voorafgaat: De hele familie Brilleslijper is inmiddels verzameld in Bergen aan Zee, waar ze zitten ondergedoken omdat iedereen om verschillende redenen door de Duitsers wordt gezocht. Dan besluit Hitler de Atlantikwal te bouwen waarvoor alle dorpen aan de kust moeten worden ontruimd. De familie is in paniek: waar kunnen ze met z’n allen nu nog naartoe? Op het moment dat ze hun worstcase scenario moeten uitvoeren – iedereen een andere kant op, dus ook scheiden van de kinderen – komt een vriend uit het verzet met een idee.

14

De gezusters Jansen

Het bericht dat ze weg moeten komt niet geheel onverwacht, maar raakt hen niettemin hard. Op 1 februari 1943 zal op last van de bezetter de gehele kuststrook van Den Helder tot Hoek van Holland door Duitse soldaten van deur tot deur ontruimd worden voor de bouw van de zogenaamde Atlantikwall. Hitler heeft opdracht gegeven een verdedigingslinie langs de kust van Noordwest-Europa te bouwen om een invasie van geallieerde machten te voorkomen de invasie waar Janny zo op hoopt. Een linie, of eerder een keten van hindernissen en versterkingen, over een afstand van maar liefst vijfduizend kilometer, van Noord-Noorwegen tot aan Zuid-Frankrijk. Hiervoor zullen duizenden bunkers aan de Hollandse duinrand worden gebouwd, maar ook tankversperringen, zoals hoge betonnen muren en zandwallen en diepe grachten. Er moeten extra paden en wegen naar munitiedepots worden aangelegd, er komen luchtafweerstellingen en mijnenvelden. Alle dorpen tot tien kilometer landinwaarts moeten vóór 1 februari 1943 leeg zijn. Is deze aankondiging voor de reguliere bewoners van de kustgebieden al een drama, voor de onderduikers betekent het dat ze in de val zitten.

De dagen naar nieuwjaar verstrijken gestaag. Janny probeert haar zorgen niet te laten blijken aan haar ouders en de kinderen, maar de onrust broeit niet alleen binnenshuis. Om hen heen beginnen mensen te verkassen; ‘normale’ mensen die officieel mogen verhuizen, niet mensen zoals zij: joden die worden opgejaagd of Duitse deserteurs wie de doodstraf wacht. Terwijl de verhuiswagens en auto’s tot op het dak toe volgeladen Bergen verlaten, marcheert dagelijks een nieuwe stroom soldaten het dorpje binnen. Ze bemannen de houten barakken van het kampement bij hen in de buurt en de herrie die ze produceren houdt Janny ’s nachts uit haar slaap. Ze ligt in bed met open ogen, haar hand in die van Bob, en staart naar het plafond. Boven hun hoofd vliegen Engelse vliegtuigen over de donkere duinen om het kamp in Bergen onder vuur te nemen, waarop Duitse soldaten naar buiten komen rennen om terug te schieten.

Op een nacht schieten ze een Engels vliegtuig uit de lucht, dat brandend op de houten barakken landt en alles in lichterlaaie zet. Als door een wonder worden Robbie en Liselotte niet wakker, maar Janny, Bob, Jaap, Fietje en Joseph verzamelen zich in pyjama bij het raam in de woonkamer, die door de vlammenzee wordt verlicht alsof het een stralende zomerdag is. Verstijfd en met samengeknepen ogen tegen het felle licht staan ze achter het gordijn. Bob en Janny wisselen een blik: de soldaten bevinden zich dichter in de buurt van Lien en Eberhard, en Jan en Aleid. De volgende dag blijken ze gelukkig ongedeerd, maar het is duidelijk: iedere dag hier is er een te veel. Ze moeten andere huizen vinden.
De zussen komen samen voor spoedoverleg met Bob en Eberhard. Wie kennen ze? Wie vertrouwen ze? Jan en Aleid moeten zelf verhuizen, daar kunnen ze niet bij intrekken. Moeten ze zich opsplitsen en de kinderen aan vreemden meegeven? Dat laatste is ondenkbaar en de mogelijkheid wordt meteen verworpen. Maar wat dan? Ze zijn met een grote groep en willen, móéten, bij elkaar blijven om dit te overleven. In Bergen blijven is onmogelijk, terug naar Den Haag kan niet en Amsterdam is hermetisch afgesloten. Bovendien weten ze inmiddels met grote stelligheid: als je Amsterdam in komt, kom je er alleen nog uit om naar Westerbork te gaan.

Uiteindelijk besluiten ze dat Janny en Eberhard ieder afzonderlijk op pad zullen gaan, op de bonnefooi het land in, op zoek naar afgelegen plekken en leegstaande woningen. Het is een wankel plan, maar het is het enige dat ze hebben.

Van Jan Hemelrijk, die continu op zoek is naar onderduikplekken, weten ze dat hij in de stedelijke gebieden bijna geen gezinnen meer bereid vindt iemand op te nemen – te risicovol, te weinig ruimte, te veel nazi’s en nsb’ers op de loer, en ook de Nederlandse politie neemt gretig tips aan over de locatie van ondergedoken joden. De aarzeling die de niet-joodse Nederlandse bevolking de eerste twee bezettingsjaren toonde om afstand te nemen van haar joodse medeburgers, is bij de meesten definitief omgeslagen naar acceptatie van hun lot.
Van vrienden in het verzet horen ze dat Amsterdam inmiddels is vergeven van de verraders zonder uniform. Gewone burgers die hun buren, oud-collega’s, zelfs bloedeigen familie verraden. Roofbank Lippmann, Rosenthal & Co beleeft bloeiende tijden. Met het toenemende aantal deportaties van joden komen steeds meer huizen leeg te staan, en de Colonne Henneicke is er als de kippen bij om de huisraad te inventariseren. De Hausraterfassung-ploeg wordt steeds belangrijker. De mannen reizen het hele land door om inventarislijsten op te stellen in gedwongen verlaten huizen; soms zijn de lakens nog warm en staan de theekopjes nog op tafel, soms staan de bewoners er zelf nog bij wanneer de heren keurig hun administratieve taken uitvoeren. Dan moeten ze toezien hoe er een blauwdruk van hun dagelijks leven wordt gemaakt; nauwkeurig, zoals het een goede ambtenaar betaamt, en in viervoud. Eén afschrift van de inboedellijst gaat naar het hoofdkantoor, de Zentralstelle, één reist mee met de goederen, één blijft bij het colonnelid als bewijs van zijn verrichte werk en één afschrift wordt overhandigd aan het gezin zelf. Een kwitantie als laatste herinnering aan hun normale bestaan voordat ze de deur achter zich dichttrekken.

Afgelegen gebied dus, daar moeten ze zich op richten. Eberhard durft met zijn arische voorkomen, valse persoonsbewijs en inmiddels vlekkeloze Nederlands nog steeds te reizen, en Janny zal tijdens haar tripjes voor het verzet naar Amsterdam de nabijgelegen dorpen uitkammen. Ze besluiten dat de bosrijke omgeving van ’t Gooi het meest kansrijk is en iedere ochtend neemt Eberhard de trein naar Hilversum om van daaruit verkenningstochten te maken.
Op een dag reist hij via Hilversum naar Hollandsche Rading, een piepklein dorpje omgeven door groen. Via het stationnetje loopt hij de hoofdstraat af en belt overal aan. Met zijn knappe, lange voorkomen, blonde haren, lichte ogen en welbespraaktheid staan mensen hem met lichte argwaan maar zonder al te veel problemen te woord. ‘Verhuurt u misschien kamers?’ is steeds weer zijn vraag, gevolgd door: ‘Of weet u misschien een leegstaand zomerhuisje in de buurt?’ Hij vangt bot, deur na deur, straat na straat, tot hij aan de andere kant van het dorp alleen nog maar bomen treft. Het is december, de temperatuur is tot onder het vriespunt gedaald en de wanhoopsactie die door zijn hoofd flitst – met de hele familie in tenten in de bossen gaan wonen – verwerpt hij terwijl hij zijn gevoelloze vingers probeert te verwarmen. Toch trekken de bossen hem – wellicht is er een jagershut, een leegstaand huisje? Hij denkt aan de familie in Bergen, vermant zich en duikt tussen de boomstammen. Er volgt een lange wandeling door het Baarnse bos zonder dat hij iets of iemand tegenkomt. Na een paar uur stevig doorwandelen is hij verkleumd en wil hij de moed opgeven, wanneer hij opeens een duidelijk zandpad ontwaart. Hij durft al niet meer te hopen dat het naar een huis voert, maar wie weet leidt het dan tenminste naar een station.
Het schemert al, en hoewel hij de teleurstelling op de gezichten thuis vreest, kan hij niet eeuwig wegblijven. Dan schittert er iets tussen de bomen door – een gebouw, witte muren, langgerekte vensters afgesloten door jaloezieën; en naarmate hij dichterbij komt openbaart zich een gigantische villa. Verderop staan enkele kleinere huizen en Eberhard voelt voor het eerst die middag zijn bloed weer stromen. Hij loopt naar een huisje waar licht brandt en belt aan. De deur zwaait open en een man kijkt hem geïrriteerd aan.

‘Goedenavond, meneer. Ik zag dat grote gebouw daar in het bos’, Eberhard knikt in de richting van de villa, ‘en ik vroeg me af, omdat het er zo onbewoond uitziet, of er misschien kamers worden verhuurd of…’
‘Uitgesloten!’
Nog voor hij is uitgesproken slaat de man de deur in zijn gezicht dicht.

Onverrichte zake keert Eberhard terug naar Bergen, waar de anderen achter het donkere raam op zijn terugkomst staan te wachten. Ze stellen geen vragen; Eberhards gezicht spreekt boekdelen. Jaap stookt het vuur op en terwijl Eberhard zich warmt vertelt hij over zijn belevenissen, tot aan de nare ontmoeting met de man die zijn laatste hoop verjoeg. Lien en Jaap kijken elkaar even meewarig aan en barsten dan in lachen uit.
‘Zijn jullie gek geworden?’ Eberhard staart zijn geliefde aan. ‘Dat is toch niet om te lachen?’
‘Weet je wat dat grote gebouw was?’ zegt Lien. Ook hun onderduikjongen Herbert begint nu te grinniken. Eberhard trekt met moeite zijn schouders een stukje op.
‘Paleis Soestdijk!’
Het zou nog jaren duren voordat ook Eberhard er de grap van kon inzien.

~

Tijdens kerst is de sfeer allesbehalve opgewekt; de feestdagen zijn een herinnering aan het naderende nieuwe jaar en de evacuatie, en er is nog geen enkel zicht op een oplossing. Ze komen allemaal samen bij Janny en Bob; zelfs hun goede vriend Frits Reuter en zijn vriendin Cor Snel nemen de risico’s voor lief en komen logeren. Als een van de leiders van de Amsterdamse afdeling van de illegale cpn weet Frits hun veel nieuws te vertellen, maar het maakt de stemming er bepaald niet beter op.

Op 13 december heeft de nsb een groot feest in het Concertgebouw in Amsterdam gegeven, ter ere van haar elfjarige bestaan. In een tot de nok toe gevulde zaal bekleed met wapperende vlaggen, nsb-vaandels en hakenkruisen verklaarde Rijkscommissaris SeyssInquart dat Hitler de Nederlandse nsb-oprichter Anton Mussert had erkend als ‘Leider van het Nederlandsche Volk’. Onder een haag van gestrekte rechterarmen aanvaardde Mussert zijn positie.
Ze luisteren gelaten en eten. Janny en Lien hebben oliebollen gebakken en een rijsttafel gemaakt. Laat op de avond zwaait het grote gezelschap Lien, Eberhard – met een slapende Kathinka over zijn schouder – en Herbert uit, die naar hun huisje aan de andere kant van het bos vertrekken. Ze zoenen elkaar een goede nacht en dan gaat iedereen naar bed, in de hoop dat die nacht het wonder zal brengen dat ze nodig hebben.
En het wonder geschiedt. Net als Janny en Eberhard hun lukrake uitstapjes in de winterse kou willen staken omdat ze voorbereidingen moeten treffen voor een gedwongen splitsing van de familie, komt Jan Hemelrijk met nieuws.
‘Ik heb iets. Net onder Amsterdam, in de bossen van Naarden. Een vrijstaand huis dat alleen in de zomer door twee rijke dames wordt gebruikt. Het zou groot genoeg voor jullie allemaal moeten zijn, dit is het adres van de dames.’
Na een rusteloze nacht vertrekken Bob en Eberhard bij zonsopgang in hun beste pak naar Amsterdam, met stramme spieren en het briefje met het adres als een wichelroede voor zich uit. De gezusters Jansen wonen in de Apollolaan, een chique straat met statige herenhuizen, en met het lot van hun geliefden, hun kinderen en de hele familie Brilleslijper in handen, bellen ze aan. Terwijl ze hun best doen zo betrouwbaar en charmant mogelijk over te komen, doen ze hun hachelijke situatie uit de doeken – althans: de veilige versie ervan. Niemand is nog te vertrouwen deze dagen, zelfs ogenschijnlijk goede mensen niet. Dus zijn Bob en Eberhard twee doodnormale, niet-joodse, Hollandse jongemannen die met hun gezinnen in Bergen wonen en daar vanwege de Atlantikwall op zeer korte termijn weg moeten. Ze besluiten hun relaas met de prangende vraag of ze het zomerhuis in Naarden tot het einde van de oorlog mogen huren.

De dames zijn zichtbaar onder de indruk van deze keurige jonge heren, gaan akkoord en twee dagen later mogen ze terugkomen om het huurcontract te tekenen. Snel keren ze huiswaarts naar de familie, die bij Janny het vonnis afwacht. Het lijkt erop dat ze zijn gered, maar de gedachte aan een scheiding van de kinderen heeft hen wekenlang beklemd en niemand is in staat uitbundig op het goede nieuws te reageren.

Ze hebben een plek, maar geen officiële vergunning om naar ’t Gooi te verhuizen. De enige persoon die nog zou kunnen proberen er een aan te vragen, is Bob. De rest van het gezelschap is joods of, in het geval van Eberhard, deserteur. Voor hij moest onderduiken werkte Bob bij het Rijksbureau voor Voedselvoorziening en Janny ziet daar hun enige mogelijkheid.
Onmiddellijk reist ze naar Alkmaar en vervolgens door naar Den Haag om de juiste mensen te spreken te krijgen. Met fluwelen charme maar een blik die geen weigering duldt, regelt ze dat Bob weer mag terugkomen bij de Voedselvoorziening, deze keer met standplaats ’t Gooi. Zijn nieuwe werkplek bevindt zich in Weesp, een dorpje gelegen tussen Amsterdam en Naarden. Tijdens haar missie wordt geen enkele keer gewag gemaakt van Bobs status als gezochte verzetsmedewerker, dus Janny’s vermoeden dat hij zo alleen in Zuid-Holland geregistreerd staat, lijkt te kloppen. Los daarvan zullen ze gewoon het risico moeten nemen; een andere optie is er niet. Met de benodigde papieren in haar tas krampachtig tegen zich aan geklemd aanvaardt ze de terugreis naar het noorden. Het is vrijdagnamiddag en ze dompelt zich onder in het forenzenpubliek dat zich richting het weekend haast. Het zijn nog enkel mannen, een verdwaalde vrouw daargelaten. Wie niet hoeft te reizen, reist niet – zeker niet op dit late tijdstip. Wie geen zaken heeft met een ander, zoekt geen contact. Janny maakt zich klein en staart naar buiten. Met de vallende schemering vervagen de weilanden achter het raam en verschijnt langzaam de weerspiegeling van haar eigen gezicht. Haar sluike haren achter de oren gestoken, de uitstekende jukbeenderen als tentstokken waarover de huid strak gespannen staat, haar ogen donker. De verantwoordelijkheid voor al die mensen die afhankelijk van haar zijn voelt ze zelden drukken, maar nu overvalt die haar opeens. De machteloosheid van de afgelopen weken, het dreigende vooruitzicht van een scheiding van de kinderen, of, erger nog, met z’n allen opgepakt worden… en dan?

Haar schouders voelen zwaar en gespannen en als ze uitademt lijkt het of ze door de stoel en de vloer heen zakt, naar de grond onder het treinstel. Dan een hevige steek in haar onderbuik, achter de tas met daarin hun reddingslijn. Ze slaat voorover en spiedt om zich heen of iemand haar opmerkt. De bankjes naast en tegenover haar zijn leeg, de heren zitten verderop bij elkaar – godzijdank. Zachtjes ademt ze uit. Nog een steek, feller nu. Ze smoort een kreet en gaat over in geveinsd hoesten, vouwt haar bovenlijf over de tas heen. Terwijl ze hoest, sluit een klem zich rond haar buik en knijpt haar leeg, knijpt het leven uit haar tot ze geen adem meer krijgt. Een van de mannen in het zitje verderop kijkt even op en Janny probeert zichzelf nog kleiner te maken in de hoek tegen het raam.
Dan verspreidt zich een warme gloed tussen haar benen, aangenaam in de kilte van de coupé. De pijn is weg en ze voelt zich slap, haar voeten deinen losjes mee boven het vloerzeil op de maat van de wissels. De gloed verkilt en haar dijen voelen vies en plakkerig. Ze komt een beetje overeind, draait haar natte wollen rok twee kwartslagen naar voren en staart naar de donkere vlek die nu op haar schoot zit. Ze bedekt de vlek met haar leren tas en leunt met haar hoofd tegen het raam, waarin enkel nog een zwarte muur is te zien. Af en toe wat lichtpuntjes her en der in de verte. Haar adem beslaat het glas terwijl warme druppels via haar wangen op haar handen uiteenvallen.

Bij thuiskomst tovert ze met moeite een glimlach op haar gezicht, wappert met de papieren waarover Bob zich gretig ontfermt, en trekt zich terug in de slaapkamer om andere kleren aan te trekken. Iedereen is opgelucht dat ze de vergunning hebben. Over de miskraam vertelt ze niemand iets.

Op 30 januari 1943, twee dagen voordat de kuststrook rond Bergen zal worden geëvacueerd, keren de mannen terug naar Amsterdam en tekent Eberhard onder zijn valse naam J.J. Bos een huurovereenkomst met mejuffrouw C.M. Jansen, voor de huur van villa ’t Hooge Nest aan de Driftweg 2 te Naarden. De huurprijs is 112,50 gulden per maand voor het gemeubileerde huis, met de toezegging dat ze zorgvuldig met het meubilair zullen omgaan en het goede servies niet zullen gebruiken.
‘Vergeten jullie niet jezelf even als de nieuwe bewoners aan te melden bij de burgemeester van Naarden, anders lopen jullie gevaar dat hij het huis vordert voor de Duitsers,’ zegt een van de zussen terloops. Die danken hen voor de tip en wisselen een snelle blik uit – dat zou een regelrechte ramp zijn. Ze willen weg, nu, de familie ophalen en het dorp uit voor de evacuaties beginnen, maar de gezusters vinden het maar wat gezellig met de jongemannen en blijven staan in de hal van het stijlvolle huis aan de Apollolaan.
‘Zeg eens,’ zegt de andere zus terwijl ze haar hand op Eberhards onderarm legt, ‘u klinkt helemaal niet alsof u uit Den Haag komt. Waar komt u oorspronkelijk vandaan?’
Die vraag is hem vaker gesteld.
‘Weet u,’ antwoordt Eberhard op samenzweerderige toon, ‘ik heb als kind in Limburg gewoond en ik vrees dat je dat tot het einde van mijn leven zal blijven horen.’

Ze lachen alle vier en nemen hartelijk afscheid.

Dan de laatste horde. De burgemeester van Naarden. De NSB-burgemeester van Naarden, Marinus van Leeuwen. Terwijl Bob zich vast naar Bergen haast om met de laatste voorbereidingen van de verhuizing van de twee huishoudens te helpen, stapt Eberhard op de trein naar Naarden-Bussum. Van daaruit snelwandelt hij richting Naarden, betreedt de vesting via de brug en loopt in één rechte lijn naar het gemeentehuis aan de Marktstraat, tegenover de Grote Kerk. Het gemeentehuis is een prachtig gebouw, bestaande uit een koppel huizen, zij aan zij, als twee broers. Het ene groter dan het andere, maar in identieke stijl, met gekartelde puntgevels en aan de achterzijde een open torentje met daarin een klok en een windwijzer. In het grootste, het linkerpand, bevindt zich een statige, boogvormige voordeur, die Eberhard met droge mond en stramme ledematen betreedt. Binnen wordt hij door een vriendelijke dame naar de kamer van de burgemeester geleid, die achter zijn massieve bureau zit te werken, geflankeerd door de portretten van Adolf Hitler en Anton Mussert. Als Eberhard binnenkomt, schuift hij zijn stoel naar achteren, komt overeind en groet hem met gestrekte arm.
‘Heil Hitler!’
Eberhard denkt aan Lien en Kathinka, vermant zich en beantwoordt de nazigroet voor het eerst van zijn leven. Hij laat zijn papieren zien. Het officiële huurcontract, de door Janny geregelde werkvergunning voor Bob en een doktersattest van de dokter uit Bergen, waarin hij verklaart dat ‘Kathinka Anita Bos, om te herstellen van een ernstige dysenterie, naar hoger gelegen gebied in de gemeente Naarden moet verhuizen’.
Van Leeuwen bladert het stapeltje onbewogen door terwijl Eberhard probeert zijn handen stil te houden. Zijn vingers bewegen steeds opnieuw over zijn palmen, alsof hij de seconden vooruit wil wrijven. Dan richt de burgemeester zich op. ‘Persoonsbewijs?’

Eberhard legt zijn persoonsbewijs voor, Jean-Jacques Bos, en dat van Lientje, Antje Bos geboren Sillevis, en Kathinka Anita Bos.
Achter zijn rug beginnen de kerkklokken te luiden en Eberhard blaast in de nagalm ervan uit. Hij denkt terug aan de mislukte keuring na zijn hongerkuur, zijn vlucht naar Bergen, naar Jan en Aleid, toen naar Amsterdam en weer terug naar Bergen. Dit mág niet mislukken. Als dit fout gaat, is het voor hen allemaal voorbij.
‘Akkoord.’
Van Leeuwen drukt de benodigde stempel op de gemeentelijke papieren, zet zijn handtekening eronder en tien minuten later staat Eberhard buiten. Hij kijkt omhoog naar de Grote Kerk van Naarden en knikt even. Naar wie of wat weet hij zelf niet.