Roos derks interview header
Interview

Roos Derks, wiens verhaal wordt verteld in Zo, ben jij er ook nog? praat over de Tweede Wereldoorlog: "Het heeft niets met Duitsers of Hollanders te maken. Het zijn mensen die dit doen"

02-05-2019

Roos Derks-Bazuijnen (86) – die is vernoemd naar Rosa Luxemburg, een revolutionaire communiste die kort na de Eerste wereldoorlog tijdens de Spartacusopstand is vermoord – vertelt met dit boek haar verhaal over hoe eerst haar vader in het holst van de nacht weg werd gevoerd, en nauwelijks een jaar later ook haar moeder en een onderduiker. Ze blijft op tienjarige leeftijd achter met haar twee zusjes, Magda en Clara, in hun ouderlijk huis in Rotterdam, waar ze zo goed en zo kwaad als het kan het dagelijks leven voort te zetten in een platgebombardeerde stad.

De auteurs van Zo, ben jij er ook nog, Bert van Slooten en Elly van der Klauw, zochten uit wat er met haar ouders was gebeurd en schetsen een beeld van het prille verzet. Het boek is een portret van een intellectueel communistisch gezin dat geschonden uit de oorlog komt, een egodocument dat beschrijft hoe een kind de oorlogstijd overleeft. Herdenken doen we met verhalen, onder andere met het verhaal van Roos.

Het duurde lang voordat u uw hele verhaal vertelde?
“Het kwam wel eens ter sprake, losse flarden. Het is niet dat ik er niet over kón praten. Na die uitzending bij De Wereld Draait Door werd ik benaderd met de vraag of ik een boek wilde maken. Ik kende de auteurs in eerste instantie niet, maar het zijn vrienden geworden. Zo gaat dat dan. Je zegt A – eigenlijk wilde ik ook niet naar De Wereld Draait Door – en zo rol je in het ander. Er is kennelijk belangstelling voor het verhaal. Het geeft een goed tijdsbeeld.”

Ik begreep dat de aanleiding om bij DWDD te gaan praten een bericht van de Europese politieorganisatie Europol was waarin werd aangegeven dat er naar schatting minstens 10.000 vluchtelingenkinderen zonder ouders rondzwerven door Europa. Uw verhaal blijft actueel.
“Ja. Dat ik heb onlangs op de boekpresentatie ook nog eens gezegd. Dat ik het verschrikkelijk vind dat mensen varkenskoppen aan een boom hangen om vluchtelingen te weren. Burgemeester Aboutaleb haakte daarop in met zijn speech waarin hij zei dat het zo belangrijk is om jongeren te laten zien wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Het is moeilijk om je voor te kunnen stellen hoe het vroeger was, met de ogen van nu en alle rijkdom waarin we tegenwoordig opgroeien.”

“Voetje voor voetje, voorzichtig lopend op iets wat op schoenen leek, probeerden Roos en haar zusjes elke dag opnieuw de weg af te leggen naar de gaarkeuken. ‘Het was bittere noodzaak, maar ook ons enige verzetje op de dag. Zo kwamen we nog onder de mensen.’ Elke dag werd de lethargie groter. ‘De koude mist drong langzaam onze hersenen binnen, benevelde ons bewustzijn.’ Drie meiden, niet eens meer in staat om te bibberen, met alles wat ze konden vinden over zich heen getrokken in de hoop dat ze zouden wegzakken. Slapen, wegzakken betekende geen gevoel meer hebben, rust die zorgde voor onverschilligheid.”

Met welk gevoel denkt u terug aan die periode?
“Niet veel anders dan hoe ik het toen als kind ervaarde. Het was oorlog. Iedereen had het moeilijk. Je wist niet beter. Wij waren – zeker door mijn moeder – tamelijk aan de harde kant opgevoed. Niet zeuren, gewoon doorgaan.”

Er zijn mensen die de kampen hebben overleefd en zeggen dat ze de mensen die hun zo wreed behandelden, kunnen vergeven. Heeft u daar begrip voor?
“Jawel, daar kan ik me zeker iets bij voorstellen. Ik heb wel moeite met het woord vergeving. Het is gebeurd. De meeste mensen in Duitsland weten helemaal niet meer wat er nu precies gebeurd is. Om ze daar nu nog steeds op aan kijken, vind ik gewoon stompzinnig.”

Waren de mensen ten tijde van de oorlog allemaal slachtoffer?
“Absoluut. Ieder jaar ga ik naar een pianofestival in Duitsland. Op een zeker moment zat ik naast iemand die vertelde dat hij op zijn 14de naar het front moest. Daar koos hij niet voor, hij móest. Vervolgens werd hij krijgsgevangene van de Amerikanen en is van Berlijn naar Sleeswijk-Holstein gelopen toen hij vrijgelaten werd. Hij zei tegen me: ‘We hebben allebei onder de oorlog geleden, maar wij hebben nog altijd die drek op onze rug.’ Dat vond ik een zeer treffende uitspraak. Na een concert kwam er een keer een mevrouw naar me toe die me herkende me van het boek. Ze was met een vriendin die het ook had gelezen, maar die vriendin durfde niet mee naar mij te komen omdat ze Duitse was. Ik ben naar haar toegegaan en gezegd dat dit niks met Duitsers of Hollanders te maken heeft. Het zijn mensen die dit doen.”

En ten tijde van de oorlog in Nederland was de eigen bevolking ook niet altijd even schoon.
“Zeker niet. De meeste mensen zijn meelopers, dat altijd zo. Er zijn ook mensen die goede dingen doen, maar er zijn hordes mensen die dat niet willen. Het valt ook niet mee om je nek uit steken. Ik heb daar ook weleens gedacht toen ik nog wat jonger was. Zou ik wel zo dapper durven zijn als mijn ouders waren, als er nog eens oorlog uitbreekt?”

“Later hoorden we dat hij als een hond is behandeld, dat de Duitsers zo verschrikkelijk wreed waren, maar dat hij wel standhield. Hij behield niet alleen zijn waardigheid, hij bleef ook onverzettelijk. Een man die niet alleen overtuigd was van z’n eigen gelijk, maar ook bereid was om voor die idealen te sterven en dat niet als een geslagen man. Hij bleef tot het laatst strijdbaar.”

Heeft u begrip voor de keuzes van uw ouders?
“Ja, dat heb ik. Mijn vader was van 1896. Toen in 1917 de Russische Revolutie plaatsvond, was hij al een jongeman. Alles zou beter worden. Hij was een idealist. Hij werkte bij uitgeverij Pegasus als typograaf. Hij werkt mee aan De Waarheid, de illegale krant. Het was een principiële man.”

Hadden uw ouders niet de kinderen op de eerste plaats moeten zetten?
“Dat kun je zeggen, maar ik heb daar geen vervelende gevoelens over. Het was oorlog. Er werd vrijwel niet over gepraat thuis, ook niet toen mijn vader weg was gehaald. Maar ik moet aan de sfeer in huis hebben gevoeld dat hij nooit meer terug zou komen. Kinderen begrijpen veel meer dan volwassenen denken.”

Er werd niet over gepraat?
“Je hoorde weleens wat, maar met de kinderen werd daar niet over gesproken, nee. We werden zoveel mogelijk buiten de oorlog gehouden en vroegen er ook niet naar. Je nam het voor kennisgeving aan. Ook na de oorlog vertelde moeder maar mondjesmaat over wat ze had meegemaakt. Af en toe zei ze iets over de Russen, over hun solidariteit en hoeveel bewondering ze daarvoor had. Of over hoe de kampbewaaksters elkaar met eten achterna zaten terwijl die vrouwen daar zaten te verhongeren.”

Wat betekent herdenken voor u, op vier mei?
“Ik denk dat het zinvol is dat het gebeurt, maar ik kan me voorstellen we er niet honderden jaren mee door gaan. Een keer moet het klaar zijn. Maar het leeft nog altijd en mogelijk krijgen we op een bepaald moment ook nieuwe inzichten, omdat de emotie er dan vanaf is. Dat verandert nu al merk ik. Laatst sprak ik een jongen van een jaar of 24 en die zei: ‘We hebben op school over de oorlog geleerd, maar als ik uw verhaal lees, begrijp ik pas wat er werkelijk is gebeurd.’”

“‘Zo, ben jij er ook nog?’ is het eerste wat haar moeder uitbrengt. Het is de toon die Roos nog kent van voor het kamp. De woorden uit de tijd dat het hele gezin nog bij elkaar was. De toon van de vrouw die moeite heeft om haar gevoelens te uiten, die niet kan zeggen ‘Ik heb je gemist’ of ‘Oh, wat fijn dat jullie het gered hebben’. Geen tranen, nauwelijks emotie. Geen belangstellende vragen over hoe ze de Hongerwinter hebben overleefd, wie er op ze gepast heeft, of er mensen zijn die hen misschien iets hebben aangedaan? Of ze goed hun best hebben gedaan op school. Niks, de kilte droop ervan af.”

‘Zo, ben jij er ook nog’ zijn de eerste woorden van uw moeder wanneer jullie elkaar weer zien.
“Het was niet wat je een warm welkom noemt, nee. Ik heb medelijden met haar, ze heeft echt een vreselijk leven gehad. Al was ze heel flink. Ze had een grote overlevingsdrang. In die zin lijk ik op haar, want ik ben de enige die nog leeft terwijl ik de oudste ben. Maar ze was getraumatiseerd door wat ze had meegemaakt. Zij wel. Net als mijn zusters. Het klinkt misschien raar om over jezelf te zeggen, maar ik kan overal tegen, ik heb een zeer sterk relativerend vermogen. Daarin lijk ik erg op mijn vader. Mijn moeder zei dat ook altijd.”

Heeft u hem erg gemist?
“Ik was dol op mijn vader, ik heb veel respect voor hem. Tot in mijn volwassen leeftijd heb ik meerdere malen gedroomd dat ik in een bus zat waar hij instapte. We ze zeiden niets. Dan hield de droom weer op. Ik heb hem zeker gemist.”

© Auteursfoto van Reyer Boxem

Zo, ben jij er ook nog?

Eerst wordt haar vader in het holst van de nacht weggevoerd. Nauwelijks een jaar later pakken de Duitsers haar moeder en een mysterieuze onderduiker op. De tienjarige Roos blijft in 1942 alleen achter met haar twee zusjes in hun ouderlijk huis in Rotterdam. Ze probeert zo goed en zo kwaad als het kan het dagelijks leven voort te zetten in de platgebombardeerde stad. In de hongerwinter van 1944 zoekt ze met haar zusjes een uitweg om te overleven.

Roos (Derks) Bazuijnen vertelt haar verhaal in dit boek. De auteurs zochten uit wat er met de ouders van Roos gebeurde en schetsen een beeld van het prille verzet in de Tweede Wereldoorlog. Zo, ben jij er ook nog? is een portret van een intellectueel communistisch gezin dat geschonden uit de oorlog komt. Het is daarmee een aangrijpend egodocument over hoe een kind in oorlogstijd overleeft.