Diggydex Header2
Interview

Diggy Dex zet liedschrijver in the picture met Taalkunstenaars

19-02-2019

Uitgeverij Nieuw Amsterdam begint met Taalkunstenaars, een reeks boeken met de mooiste teksten van bekende artiesten met niet eerder uitgebracht materiaal en voorzien van een persoonlijke inleiding. Bovendien zit er een code voor een Spotify-playlist achterin, waarop alle nummers uit het boek te horen zijn. Rapper Diggy Dex bijt het spits af en blijft aan het project verbonden als adviseur en ambassadeur.

Ik ontmoet Diggy Dex a.k.a. Koen Jansen in zijn studio in het hart van Utrecht. Hij opent breed lachend de deur en gaat me voor in een vrijwel leeg pand dat te huur staat. Hij neemt plaats achter een bureau waar zijn apparatuur staat en laat me horen waar hij mee bezig is. Zo liep ik net nog door een koude wereld en binnen enkele seconden ben ik in de wereld van Koen. Zijn muziek, stem en woorden voeren je als vanzelf mee naar plekken in je gevoelsleven waar je zelf geen uitdrukking aan hebt kunnen geven.

Tijdens het maken van dit boek begon ik mezelf nog meer af te vragen wat ik nou eigenlijk ben. Een tekstschrijver? Een artiest? Een rapper? Een zanger? Een gesjeesde student met een hang naar een romantisch leven? Of een jongen die op zoek is naar verbinding via muziek? Hoogstwaarschijnlijk ligt de waarheid zoals altijd net links van het midden, waar je hem niet verwacht. Ik denk dat dit boek in elk geval een andere kijk geeft op wat er zoal is omgegaan in mijn hoofd de afgelopen veertien jaar, en ik ben zeer vereerd om jou als lezer daar deelgenoot van te mogen maken.

Betekent dit dat je in Engels gaat schrijven?

“Oh nee. Ik luister graag naar Engelstalige muziek en ik heb weleens wat voor mezelf in het Engels geschreven, maar het is altijd Nederlands geweest en dat zal het ook wel altijd blijven. Ik denk ook dat het lastig om mijn liedjes te vertalen. Net als bij boeken, vind maar eens een echt goede vertaling. Als ik in het Engels ga rappen, zal het grammaticaal wel kloppen. Maar om écht iemand te raken, moet de taal in je bloed, in je vezels zitten.”

Zijn jouw kinderen een inspiratiebron voor je?

“Ja zeker, zeker bij dit nummer nu, als ik zie hoe ze spelen, hun belevingswereld. Ik was nu een beetje aan pielen met het idee dat je weggaat: Laat ons spelen zonder zorgen, tot de dromen zijn gedeeld, maar voor ik weer vooruitkijk, ben ik tien seconden stil. (Hij zet de muziek aan). Ik heb nu een soort summerfeel. Het moet niet al te zwaar worden. Ik zie kinderen al dansen op de muziek, op een andere plek. (Muziek gaat weer uit) Zo blijf je bezig (lacht).”

Hoe is het project Taalkunstenaars ontstaan?

“Neeltje Smitskamp, redacteur bij de uitgeverij waar het boek uitkomt, ken ik nog uit Amersfoort, waar ik vandaan kom. Ze vertelde dat ze lange tijd rondliepen met het idee om songteksten uit te geven, met een introductie bij de teksten, zodat je de artiest beter leert kennen als persoon en een inkijkje krijgt in hoe hij werkt. Op die manier zetten we de liedschrijvers wat meer in the picture. Hoe ervaren zij taal? Herman van Veen brengt bundels uit, Frank Boeijen publiceert bij elke plaat zijn teksten. Maar dat zijn echt alleen de songteksten. Nu krijg je context bij de nummers.”

Is het ook bedoeld om een brug te slaan naar een jongere generatie, om ze een boek in handen te kunnen geven dat aansluit bij hun belevingswereld?

“Ja, ook vast wel. En ook om meer in het algemeen mensen kennis te laten maken met de schoonheid van de Nederlandse taal. In het boek trek ik de tekst los van de muziek en dat is best eng. Dat schrijf ik ook in mijn boek. Mijn teksten zijn voor mij zo verbonden met de muziek, dat het vreemd voelt ze naakt op papier te zien staan. Ook is een woord natuurlijk anders wanneer je het uitspreekt, rapt of zingt dan wanneer je het opschrijft. De melodie die ik voor Right to Play heb bedacht, stuwt me meteen een bepaalde richting op. Een lied begint bij mij vrijwel altijd bij de melodie. Maar als die twee losmaakt van elkaar, kan de tekst nog veel meer lading krijgen. Ik doe dat zelf tegenwoordig ook steeds vaker, even de tekst op zich bekijken. Die moet van zichzelf namelijk krachtig genoeg zijn. Een bepaalde noodzaak hebben.”

Wat voor jou persoonlijk een reden om mee te werken aan Taalkunstenaars?

“Ik had zelf al wel in gedachten om een keer mijn teksten te bundelen. Als ik twintig jaar in het vak zou zitten ofzo.”

Je bent openhartig in jouw teksten. Is er een grens aan wat jij geeft?

“Ja, maar dat zit ‘m meer in details en de manier van vertellen. Als er iets speelt tussen mij en mijn vriendin. Zonder in al te veel detail te treden kun je toch heel veel laten zien. Fases waar je doorheen gaat. Ik geef eigenlijk best veel, maar er is ruimte voor interpretatie van de luisteraar. Ja, net zoals bij een boek; je leest met je eigen bagage. Ik ben een heel open persoon, maar er zijn altijd dingen die bewaart voor je vriendin en voor je beste vrienden.”

Heb je weleens geen woorden kunnen vinden voor een gevoel?

“Er liggen wel wat zinnen die ik nog niet om heb kunnen zetten in een lied. Bepaalde ontwikkelingen in mijn leven. Het komt als de tijd rijp is. Het komt op gevoel. Ik kan het niet afdwingen. Ik moet er niet naar op zoek gaan. Ik moet het vóelen. Zoals bij het nummer Alles is nu (2018), een soort mantranummer. Het is eigenlijk mijn reflectie op mijn zoektocht naar meer in het nu leven. Wat ik ook steeds beter leer. Het is wel iets wat meer mensen bezighoudt, maar iedereen pakt er zijn eigen zinnetje uit.”

“Het is wel wat anders dan echt werken aan een nummer: over het algemeen is het schrijven van teksten en het maken van muziek voor mij een kwestie van zitten en doen. Ik geloof niet in het achterover leunen en wachten op een goddelijke ingeving. Natuurlijk zijn er momenten waarop een lied binnen een half uur op zijn plek valt en verder geen grondige wijzigingen meer nodig heeft, maar dat gebeurt niet vaak.”

Houd je rekening met de gedachte dat je voor veel jongeren een voorbeeld bent?

“Ik roep net als iedereen soms wel eens iets dat niet netjes is. Kroegtaal. Onderling met je beste vrienden. Je moet zoiets niet uit zijn verband gaan halen, want dan komt het helemaal verkeerd over. Als ik straks op de tribune zit bij Ajax en het gaat niet lekker, roep ik ook een keer ‘godverdomme!’ Naar mijn kinderen toe, ben ik daar wel voorzichtig mee. Op social media schrijf ik vooral berichten over optredens en een nieuw album. Ik gebruik het ter promotie, niet voor mijn mening.”

Toen ik mijn eerste plaat, Verhalen Vanuit De Sofa, uitbracht was dit niet bepaald een doorslaand succes. Een bescheiden entree in de Nederlandstalige hiphop, wat destijds een veel kleiner onderdeel in het muzieklandschap vormde dan tegenwoordig. Maar wel eentje waar ik mezelf in kon verliezen. Aan mijn bureau pende ik hele documenten vol, op zoek naar de zinnen die voor mij destijds de kern verwoordden.

Speelde verhalen vertellen een grote rol bij jou thuis?

“Het was wel altijd aanwezig. Er waren veel boeken. Mijn moeder is lerares Nederlands. Mijn vader is schrijver. Hij is een echter verhalenverteller. Hij verzon ze zelf. Voor het slapen gaan: je gooide er een kwartje in en hij vertelde. Het is een hele lieve, aimabele man. Verhalen vertellen is iets wat ik vanuit huis heb meegekregen. Op school vond ik taal en schrijven, werkstukken maken, iets creëren, het allerleukst. Als kind las ik veel: Thea Beckman, Paul Biegel. De drang om iets over te willen brengen zat er al vroeg in. Inclusief bewijsdrang als jongste van het gezin. Dit leidde tot stottergedrag, waardoor ik een tijdje bij een logopedist heb gelopen op jonge leeftijd. In de loop der jaren is het stotteren verdwenen, hoewel ik soms nog weleens moeite heb met het uitspreken van de eerste letter van een bepaald woord aan het begin van een zin. De letter ‘T’ is er zo eentje. Mijn minst favoriete letter van het alfabet. De klank voelt te hard en glijdt maar moeizaam van mijn tong.”

Wat lees je nu graag?

“Vooral non-fictie. Over geschiedenis, mindfulness. En ik ben Sapiens nu voor de derde keer aan het herlezen. Dat vind ik zo’n machtig mooi boek. Amerikanen lopen niet en Het beste boek ooit van De Correspondent. En Het spel van de engel, van Zafón. En ik herbeleef nu weer boeken als de Heksen van Roald Dahl dankzij het voorlezen. Van zijn vierde tot achtste heb ik de oudste altijd verhalen verteld over twee ruimtemannetjes, Onkie en Donkie, die steeds een andere planeet bezochten. Dan kun je natuurlijk eindeloos doorgaan.”

Ga je een kinderboek schrijven?

“Ja, haha, Daar heb ik weleens over nagedacht. Mijn zoon heeft een kinderboek gemaakt. Het is een creatieve vogel. Kijk, hier ligt het. We hebben het zelf uitgegeven. Hij heeft het helemaal zelf bedacht en getekend. Over een aapje dat wil vliegen.”

Wat mooi! En hij gebruikt hier het woord sip. Wat een mooi woord voor een jongen van negen. Ik las dat jij het woord ravissant heel mooi vindt.

“Dat is een heel mooi woord inderdaad.”

Zijn er ook woorden die je lelijk vindt?

“Goede vraag. Poeh. Stug. Dat is wel zo’n woord. Ik voel niets bij dat woord. Het is ook heel persoonlijk. Gisteren was ik een liedje met Roel van Velsen aan het maken. Ik opperde wat suggesties waarop hij zei dat hij die woorden nooit zou gebruiken. ‘Ik had geen echt.’ Dat zei ik geloof ik. Het moet ook niet te gekunsteld worden, daar prikken mensen doorheen.”

Wat betekent taal voor jou?

“Dat je wordt meegenomen naar nieuwe werelden. Het geeft me rust en de kans om in het hier en nu te zijn.”

Taal kan helen, troosten, liefhebben, maar ook verwoesten. Heb je je weleens ingehouden?

“Ja, maar dan toch met name omdat het boodschap zou kunnen beschadigen. Net als wanneer je in een schilderij met bruintinten plotseling een roze stip zou zetten.”

Dat kan ook weer heel verrassend zijn.

“Haha, ja, dat kan ook ja. Maar daar hou ik niet zo van. Het verkeerde woord kan gevaarlijk zijn. Zeker in relatie tot onderwerpen als Zwarte Piet bijvoorbeeld. Ik word daar eerlijk gezegd een beetje recalcitrant van; als iedereen er over praat, dan vind ik het niet meer interessant.”

“Zo’n honderd liedjes verder, de meeste voor mezelf”, zo zeg je in De zon op. Het is misschien vragen naar van welk van jouw kinderen je het meest houdt, een onmogelijke vraag, maar welk nummer gaat jou het meest aan het hart?

“Dat weet ik wel. Dat is Treur niet, Ode aan het leven. Dat nummer heeft echt een grote betekenis voor mij, omdat het over twintig jaar nog steeds zal worden gedraaid. Het betekent veel voor mensen, wordt vaak gedraaid op uitvaarten. Dat is wel iets waar ik trots op ben. Je schrijft zoiets niet met die verwachting op voorhand, maar wel met een bepaalde overtuiging. En uit mijn begintijd zou dat Oktober 04 zijn, uit 2004. Een tekst vol vragen waarmee ik worstelde: ‘Ik maak muziek, ik slaap, eet, adem in, adem uit. Kom te laat thuis na een avond uit. Ik werk en ik leef, dus ik besta naar verluidt. Maar de vraag die ik mezelf stel is: maakt het nog wat uit?’ Ik schreef het heel vrij en voor het eerst heel openhartig.”

Wordt jouw omgeving niet droevig van dergelijke teksten jouw teksten?

“Mijn vader begrijpt het wel. Mijn moeder had er wat meer moeite mee, het duurde wat langer voordat ze begreep dat de teksten momentopnames zijn. Vooral toen ik wat donkerdere teksten schreef. Dan vroeg ze: ‘Koen, gaat het wel?’ Natuurlijk komen er dingen in naar voren waar ik mee worstel, maar niet iedere dag.”

In De zon op schrijf je: “Zo’n twintig jaar geleden had ik pen en een papier. Om gedachten van me af te schrijven als de enige manier.” Wat schreef je van je af?

“Schrijven hielp me om mijn gedachten te ordenen. Ik was een jaar of 16. Ik had vragen die alle pubers hebben. En ook maatschappijkritisch natuurlijk, op een jonge, naïeve manier. Tegen het kapitalisme, allemaal slecht, de machthebbers zus, de machthebbers zo. Ietsje later ging ik me meer interesseren voor spiritualiteit, las ik de Celestijnse belofte. Dat zette me ook wel weer aan het denken.”

Heb je overal antwoord op gekregen, is alles ontrafeld?

“Zo, goeie vraag. Ik denk het niet nee, nee.”

Twaalf jaar na jouw debuut verschijnt nu Karavaan en toch voelt het alsof het nu pas écht begint, zo schrijf je.

“Dat heeft te maken met dat je steeds beter weet wat je wilt, dat je vrijer van je omgeving bent. Als je jonger bent, zijn er zoveel mogelijkheden. En ik ben ook altijd enthousiast, ik vind alles leuk om uit te proberen. Het gaat erom dat je steeds beter vindt wie je bent en wat je zowel muzikaal als tekstueel weet wat je uit wilt dragen. Een identiteit hebt gevonden. Wat ik er ook mee wil zeggen, is dat ik blij ben dat het nooit stopt, dat de woorden blijven komen. Al moet je er ook voor oppassen dat je niet in een tunnel belandt.”

Hoe zorg jij ervoor dat je je blijft ontwikkelen?

“Door soms letterlijk even weg te gaan en door met andere muzikanten samen te werken. Van nature ben ik niet zo dol op routine, maar mijn moeder is vrij calvinistisch waardoor er altijd een stemmetje in mijn hoofd zit dat zegt: je moet werken. Ik leer steeds beter dat los te laten. Daardoor gaat het meer stromen.”

Wat weet je nu dat je graag aan het begin van je carrière had geweten?

“Ik had graag het vertrouwen willen hebben dat het wel goed komt. Ik ben rustiger geworden, minder bang om te falen.”

Droomde je als kleine jongen van wat je nu hebt bereikt?
“Ik kon me het me nog niet echt inbeelden, denk ik. Ik was wel heel erg geïnteresseerd in muziek, met mijn drumstel op zolder samen met mijn broer op de gitaar. Ik had geen geduld om die lessen te nemen. Het spelen met taal, het rijmen, ik vond het geweldig. Driedubbel rijmen in een zin. Heel vet.”

Wat is jouw grootste angst om kwijt te raken?
“Mijn naasten. Die staan boven de muziek, ja. En op muzikaal gebied zou dat de angst zijn om niet meer in staat te zijn om iets te kunnen maken door een hersenbloeding bijvoorbeeld. In een rolstoel ga ik echt nog wel het podium op. Als ik doof zou worden, zou ik nog meer richting het schrijven gaan.”

Er staat ook een stukje van Leef in jouw boek, de hit gezongen door Dré Hazes. Ik heb me nooit gerealiseerd dat die tekst door iemand anders is geschreven.
“Dat snap ik. Van 99% van de liedjes op radio weet je niet wie het heeft geschreven. Marco Borsato schrijft ook geen letter zelf, maar hij weet het wel heel goed en geloofwaardig te vertolken. Leef heb ik samen met Edwin van Hoevelaak (de vaste producer van Dré) Arno Krabman, (ook een producer) en Thomas Berge (pseudoniem van Chiel Thomas Ottink) gemaakt. Het was uit dezelfde periode als Treur niet, Ode aan het leven. Het heeft ook een beetje diezelfde lading. Leef moest alleen natuurlijk wel naar Hazes getrokken worden. Smartlap. Lange uithalen. We hadden het binnen uur af. Ik had het zelf niet kunnen vertolken. Het past bij hem.”