Recensie

Kolja: “Een grootse en menselijke historische roman”

Door: Jurgen
03-11-2017
Kolja Header V4

Zes november 1893 keert Kolja terug in het huis van de broers Tsjaikovski waar de oudste broer, Petja, net is overleden. Overleden onder bijzondere en bedenkelijke omstandigheden, en dat geeft Arthur Japin de ruimte om in Kolja zijn alternatieve geschiedenis te vertellen.

Japin doet waar hij goed in is: het ongemerkt verweven van historische waarheid en fictie tot historische fictie. Zo deed hij dit eerder in onder meer ‘Vaslav’ dat verhaalde over de balletdanser Vaslav Nijinksy, waarin hij ook een open plek in de geschiedenis opvult met zijn eigen verhaal. Ook het overlijden van de grootse Russische componist Pjotr Iljitsj (Petja) Tsjaikovski kent lege plekken die Japin vakkundig en geloofwaardig opvult.

Acht jaar en al helemaal uit de wereld teruggetrokken

Maar het is meer dan een detectiveverhaal, want hoewel de tragische dood van Petja de spil is in deze roman, gaat het vooral om Kolja. Een doofstomme jongen met wie wij en Modest (Modja) Tsjaikovski in 1875 kennismaken. Modja is Petja’s jongere broer, en het is mooi hoe Japin in deze roman over de grootse componist, juist Modja en Kolja in het middelpunt zet en hen zo gebruikt om over Petja’s leven te verhalen. Kolja dus, hij is acht jaar en al helemaal uit de wereld teruggetrokken, wanneer Modja hem onder zijn hoede neemt. Samen met de jonge gouvernante juffrouw Sofja Jersjova vormt Modja Kolja’s echte, liefdevolle gezin, en gaan ze de uitdaging aan Kolja taal en woorden te leren. En al die tijd schrijft Modja cahiers vol over de lessen en vooruitgang van Kolja, over het nieuwe gezin en over Petja die daarin af en toe binnenwandelt. Modja’s eerste regels op die 12de december 1875:

“De jongen gezien. Het zal niet meevallen. Hij hoort niet, spreekt niet; lezen of schrijven kan hij evenmin. Van het hele concept taal geen notie.”

Historische figuren worden mensen

Arthur Japin vertelt de verhaallijnen afwisselend: dan weer lopen we met Kolja mee in de drie dagen na Petja’s dood tot de staatsbegrafenis om de waarheid te achterhalen, om daarna in Modja’s cahiers door de jaren heen –van 1875 tot negen november 1893, de dag van de begrafenis– te lezen hoe Kolja opgroeide en taal leerde gebruiken. Maar uit Modja’s aantekeningen blijkt ook, en dat is zo mooi, dat Petja naast het componeren van fantastische stukken een historisch minder belicht en kleurrijk leven had.

Laat het maar aan Arthur Japin over om van historische figuren mensen te maken. Hij heeft met Kolja een grootse en menselijke historische roman afgeleverd. En vergeet niet af en toe een mooie zin te onderstrepen als: “Lippen die je kussen, hoef je niet te lezen.”

Historische fictie van Arthur Japin

Joergen Jurgen
Praat mee