Winactie

WIN! Gesigneerde versie van Archipel van de hond door Philippe Claudel

Header Archipel Van De Hond

Heb jij met plezier de boeken van Philippe Claudel gelezen en ben jij razend benieuwd naar zijn nieuwste boek 'Archipel van de hond'? Dan hebben wij goed nieuws! Wij verloten namelijk 3x het nieuwe boek van deze Franse auteur, scenarioschrijver en filmregisseur.

WIN! Gesigneerde versie van Archipel van de hond door Philippe Claudel

Helaas! Deze actie is verlopen. De winnaars hebben persoonlijk bericht van ons gehad.

Archipel van de hond

I

Jullie begeren goud en verspreiden as. Jullie besmeuren de schoonheid, onteren de onschuld. Jullie laten overal modder stromen. Haat is jullie voedsel, onverschilligheid jullie kompas. Jullie zijn slapende wezens, altijd onder zeil, zelfs als jullie denken dat je waakt. Jullie zijn het product van een ingedutte tijd. Jullie emoties zijn vluchtig, snel ontloken vlinders die onmiddellijk verstenen in het daglicht. Jullie handen kneden je leven uit droog, kleurloos leem. Jullie worden verteerd door eenzaamheid. Jullie zijn vet van egoïsme. Jullie keren je broeders de rug toe en verliezen je ziel. In jullie natuur gist vergetelheid. Hoe zullen toekomstige tijden over deze tijd oordelen? Het verhaal dat we gaan lezen is even reëel als jullie kunnen zijn. Het speelt zich hier af, maar het zou ook elders gebeurd kunnen zijn. Het is te gemakkelijk om te denken dat het ergens anders was. De namen van degenen die het verhaal bevolken doen er nauwelijks toe. Die kunnen vervangen worden. Door jullie eigen namen. Jullie lijken in alles op elkaar, jullie komen uit dezelfde, onveranderlijke mal. Ik weet dat jullie vroeger of later een terechte vraag zullen stellen: was hij getuige van wat hij vertelt? Dan zal ik zeggen: ja, dat was ik. Net als jullie, maar jullie wilden het niet zien. Jullie willen nooit iets zien. Ik ben degene die jullie eraan herinnert. Ik ben de stoorzender. Mij ontgaat niets. Ik zie alles, ik weet alles. Maar zelf ben ik niks en ik ben van plan om dat te blijven. Ik ben geen man en geen vrouw. Ik ben alleen een stem. Vanuit de schaduw zal ik het verhaal doen. De feiten die ik vertel hebben gisteren plaatsgevonden. Vorige week. Een jaar of twee geleden. Niet langer dan dat. ‘Gisteren’, schrijf ik, maar eigenlijk zou dat vandaag moeten zijn. De mensheid houdt niet van gisteren. De mensheid leeft in het heden en droomt over morgen. Het verhaal speelt zich af op een eiland. Zomaar een eiland. Niet groot en niet mooi. Het ligt niet ver van het land waar het bij hoort, maar het is er wel door vergeten; het ligt dicht bij een ander continent waar het niet bij hoort en dat het niet kent. Het is een eiland van de Archipel van de Hond. Als je de archipel op de kaart ziet, valt de Hond aanvankelijk niet op. Hij houdt zich schuil. De kinderen probeerden hem te vinden. De schooljuf, die toen al de Oude Vrouw werd genoemd, genoot van hun inspanning, en toen ze met de punt van haar aanwijsstok de bek tekende, van hun verbazing. De Hond dook plotseling op. Ze schrokken. Hij straalt hetzelfde uit als bepaalde levende wezens waar je dagelijks mee omgaat, maar wiens ware aard je pas doorgrondt als ze je op een dag naar de keel vliegen. Daar staat de Hond, uitgetekend op het dunne papier. Zijn bek geopend, zijn hoektanden ontbloot. Hij staat op het punt een langwerpige, bleke, kobaltkleurige enormiteit te verscheuren, op de kaart bezaaid met getallen die dieptes aangeven en pijlen die stromingen aanduiden. De kaken zijn twee gebogen eilanden, de tong is ook een eiland en de tanden eveneens, sommige gepunt, andere massief en vierkant, weer andere zo spits als een dolk. De tanden zijn dus eilanden. Een daarvan is het eiland waarop dit verhaal zich afspeelt, het enige dat bewoond is, aan het einde van de onderkaak. Vlak naast de enorme blauwe prooi die niet weet hoe fel hij wordt begeerd. Al het leven op het eiland komt van de vulkaan, die erboven uittorent en die er millennia lang zijn lava en vruchtbare slakken heeft uitgebraakt. Hij wordt de Brau genoemd. Een naam met een barbaarse klank. Vroeger, toen het geroep en gelach van kinderen het eiland betoverde, joeg die naam de kleinsten angst aan. Nu is de vulkaan sinds zijn laatste woede-uitbarsting aan het spijsverteren. De krater gaat vaak schuil onder een dekbed van dampen. Hij houdt een lange middagslaap. Nu en dan laat hij een boer. Doffe geluiden. Een slaper die onrustig wordt, opschrikt en doorslaapt. De rest van het skelet van de Hond bestaat uit een massa eilandjes, de meeste zo klein als de broodkruimels die aan het einde van de maaltijd op het tafellaken achterblijven. Ze zijn niet bewoond. Het eiland dat we zullen ontdekken is daarentegen bewerkt met het hamerende bloed van de mensen. Een vergeten stukje van de wereld, dat in het azuur is gevallen. Ongetwijfeld ligt aan hun oorsprong een vissersvolk uit de tijd van de Feniciërs, afstammelingen van dieven en piraten die hier tijdens de kustvaart zijn gestrand of zich er verstopten om de buit te tellen. Er zijn wijngaarden, olijfgaarden, kapperboomgaarden. Iedere morgen bouwland getuigt van de koppigheid waarmee de voorouders hem geduldig van de vulkaan hebben afgetroggeld. Hier ben je boer of visser. Een andere keuze is er niet. Veel jongeren willen geen van beide zijn. Ze gaan weg. Er volgt nooit een terugkeer. Zo is het en zo is het altijd geweest. De Hond spuugt onmenselijke seizoenen uit. De zomer verdort de bewoners en de landbouwterrassen. De winter bevriest ze. Bijtende wind, koude regen. Maandenlang rillen en lusteloosheid. Hun huizen zijn de wereld rondgegaan. Als foto’s. In tijdschriften. Architecten, etnologen en historici hebben zonder hun iets te vragen besloten dat ze deel uitmaken van het werelderfgoed. Eerst moesten ze erom lachen, later raakten ze geïrriteerd. Ze mogen hun huizen niet slopen of veranderen. Mensen van elders benijden de bewoners. De idioten. De huizen van slecht gevoegde lavasteen lijken op de massieve hutten van een dwergenvolk. Ze zijn even hard als de bewoners. Ongezellig. Donker en oneffen. Je stikt er of bevriest er. De bewoners worden erdoor omsloten en verzwaard. Uiteindelijk zijn ze op hun huizen gaan lijken. De wijn van het eiland, rood, zwaar en zoet, is afkomstig van een druivensoort die alleen hier groeit: de muroula. Aan de trossen lijken de druiven op de ogen van een ekster: klein, zwart, stralend, zonder pruine. Ze worden half september geoogst en daarna op de muurtjes van de wijngaarden en kapperboomgaarden gelegd, tegen de vogels beschermd door fijnmazige netten. Twee weken lang liggen ze te drogen, dan worden ze geperst; het sap wordt gegist in smalle, halfdonkere, lange grotten, uitgehouwen in de flanken van de Brau. Als de wijn wordt gebotteld heeft hij de kleur van stierenbloed. Hij is ondoorzichtig. Een kind van de duisternis en de buik van de aarde. De wijn van de goden. Als je er je lippen mee bevochtigt komen zon en honing je mond binnen en stromen zowel door je keel als langs de bodemloze afgrond aan de achterzijde van de wereld. De ouden zeiden bij het drinken dat ze zowel bij Aphrodite als bij Hades aan de borst lagen.

II

Het begon op een maandagochtend in september, op het strand. Dat alleen bij gebrek aan beter ‘strand’ wordt genoemd, want door de riffen en de stroming kun je er niet zwemmen, en omdat het uit ruwe, scherpe, vulkanische keien bestaat kun je er ook niet liggen. Iedere dag ging de Oude Vrouw hier wandelen. De Oude Vrouw is de voormalige onderwijzeres. Iedereen op het eiland heeft bij haar in de klas gezeten. Zelf kent ze ieder gezin. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven. Niemand heeft haar ooit zien glimlachen. Het is nauwelijks bekend hoe oud ze is. Waarschijnlijk rond de tachtig. Vijf jaar geleden moest ze het klaslokaal met tegenzin verlaten. Sindsdien gaat ze iedere ochtend, op de vroegste uren van de dag, uit wandelen met haar hond, een bastaard met melancholische ogen die niets liever doet dan achter de meeuwen aan rennen. Ze was altijd alleen op het strand. Er was niets op de wereld, geen enkele weersgesteldheid, waardoor ze zou afzien van deze tocht langs zee, op deze desolate plaats die weggerukt leek aan een land in het noorden, aan Scandinavië of IJsland, en hier was neergesmeten om de zielen te kwellen. Die dag rende de hond zoals gewoonlijk om haar heen. Hij sprong op naar de grote vogels die hem tartten. Het was druilerig weer. De regen was nog dun, licht en koud, en de zee duwde kwade golven voor zich uit, kort maar gespannen, die op het grind kapotsloegen tot vuil schuim. De hond bleef plotseling staan, blafte en stormde er toen als een dolle vandoor, een meter of vijftig weg, naar drie langwerpige vormen die op de kust waren gegooid maar nog wel een beetje heen en weer bewogen, alsof het de branding moeite kostte ze helemaal te laten gaan. De hond snuffelde, wendde zich tot de Oude Vrouw en slaakte een lange jammerklacht. Op precies hetzelfde moment werden de vormen op het grind ook door twee anderen gezien: Amerigo, een vrijgezel, soms wijnbouwer, soms manusje-van-alles, die hier af en toe kwam kijken wat de stroming op de kust had geworpen: overboord geslagen vrachten, verdwaalde planken, netten, touwwerk, vlothout. Hij zag de vreemde vormen al van ver. Hij stapte van zijn wagen, aaide de flank van zijn ezel en zei tegen het dier dat het op het pad moest blijven staan. En de Zwaardvis, die zo genoemd werd omdat hij weliswaar niet snugger was, maar zonder twijfel een van de beste zwaardvissers van het eiland; hij kende de gewoontes van de grote vissen, de gronden waar ze verbleven, hun buien, hun cycli, en hij kon al hun routes en listen voorspellen. Die dag waren de boten niet uitgevaren. Het weer was te slecht. De Zwaardvis werkte voor de Burgemeester, die de belangrijkste vissersbaas van het eiland was. Hij bezat drie motorboten en een koelcel om zijn vis op te slaan, samen met die van tien andere vissersbazen, die te arm waren om er zelf een te hebben. Twee dagen geleden, toen iedereen op zee was, had een windvlaag drie boeien meegenomen met kreeftenfuiken eraan die de Zwaardvis voor eigen rekening in zee had gezet, waarvoor hij, met toestemming van de Burgemeester, een volle dag en nacht de boot had geleend. Die maandagochtend was hij naar het strand gekomen om te zien of de wind ze daar niet heen had geblazen. Hij werd gealarmeerd door het langdurige gejank van de hond. Hij was ver van de Oude Vrouw, die niets had gehoord. Hij zag haar plotseling versnellen; ze struikelde over de keien, viel bijna, herstelde zich. Hij voelde dat er iets aan de hand was. Hij zag dat Amerigo zijn kar achterliet en ook naar de hond liep. De Oude Vrouw, de Zwaardvis en Amerigo bereikten gelijktijdig de drijfnatte vormen die deinden op de golven. De hond keek zijn bazin aan, slaakte nog een jammerkreet en snuffelde toen aan wat de zee had uitgeworpen: drie zwarte mannenlichamen op blote voeten, eenvoudig gekleed in T-shirt en spijkerbroek, die met hun gezicht in het zand leken te slapen. De Oude Vrouw sprak als eerste. ‘Waar wachten jullie nog op? Trekken!’ De mannen keken elkaar aan en deden wat de Oude Vrouw beval. Ze aarzelden, wisten niet precies hoe ze de lijken moesten vasthouden. Uiteindelijk pakten ze ze onder de oksels en sleepten ze achteruit mee om ze naast elkaar op de donkere stenen te leggen. ‘Zo kunnen jullie ze toch niet laten liggen! Draai ze om.’ Opnieuw aarzelden ze, maar uiteindelijk draaiden ze de lichamen op hun zij; de gezichten van de doden kwamen plotseling tevoorschijn. Ze waren nog geen twintig. Ze hadden hun ogen dicht. Ze leken te slapen, een hardvochtige slaap, die hun lippen had verwrongen en hun huid bedekt met grote paarse vlekken, waardoor ze een gesloten gezicht kregen, met de suggestie van een verwijt. De Oude Vrouw, Amerigo en de Zwaardvis sloegen gelijktijdig een kruis. De hond blafte. Drie keer. Opnieuw weerklonk de stem van de Oude Vrouw. ‘Amerigo, heb je een dekzeil in je kar?’ Amerigo knikte. Hij liep weg. ‘Zwaardvis, licht de Burgemeester in. Praat verder met niemand. Zorg dat hij hier komt. En geen getreuzel.’ De Zwaardvis zei niets en rende weg. Hij was altijd al bang geweest voor de dood. De zee was onrustig door de harde wind die het eiland die nacht had schoongeveegd, een wind die je tot in de huizen voelde omdat hij zijn zoute speeksel onder de deuren, tussen de slecht gevoegde stenen en in de schoorstenen spuugde. Allemaal hadden ze slecht geslapen, ze hadden liggen woelen, waren opgestaan om te plassen of een glas water te drinken. De Oude Vrouw en de hond bleven bij de lichamen. Het leek op een stichtelijk schilderij uit een museum waarvan je je afvroeg welke moraal er werd uitgebeeld: de eindeloze zee, drie jonge zwarte mannenlichamen met ernaast een oude vrouw en een hond. Je voelde dat het iets betekende, al was het moeilijk te zeggen wat Amerigo kwam terug met een blauw plastic zeil. ‘Bedek ze,’ zei de Oude Vrouw. De lichamen verdwenen onder het kunststoffen doodskleed. Amerigo legde grote stenen langs de randen zodat de wind het niet weg zou blazen, maar die probeerde zich er toch onder te wurmen. Het veroorzaakte een ongemakkelijke, kreukelende muziek, als van een circustent. ‘Waar denkt u dat ze vandaan komen, Juf?’ Ondanks zijn veertig jaren, zijn dikke mannenvingers, zijn door stukken oude zeep gebarsten gezicht, was hij weer net zo zenuwachtig als toen hij een kind was en hij kreeg de stem die daarbij hoorde. Hij stak een sigaret op. ‘Wat denk je zelf?’ vroeg de Oude Vrouw bars. Amerigo haalde zijn schouders op, nam een trek, wachtte tot er een waarheid werd geformuleerd die hij zelf niet durfde uit te spreken. Maar aangezien de Oude Vrouw zweeg knikte hij naar de fletse verte in het zuiden en mompelde, aarzelend als een leerling die niet zeker is van zijn antwoord: ‘Van daar...?’ ‘Natuurlijk van daar! Ze zijn toch niet uit de lucht komen vallen? De snuggerste ben je nooit geweest, maar je kijkt toch weleens televisie, zoals iedereen?’

III

De Zwaardvis had niet getreuzeld. Nog geen halfuur later zagen ze hem weer om de hoek van de hoge rots komen die het strand begrenst en buiten het zicht van de stad en de haven houdt. De Burgemeester kwam achter hem aan, maar er was nog iemand bij, een dikke, verschrompelde gestalte: de Dokter. Toen de Oude Vrouw hem zag, vloekte ze binnens - monds. De hond verwelkomde de nieuwkomers door liefkozingen te vragen die hij niet kreeg. ‘Wat is dit voor geheimzinnig gedoe? Die idioot wilde niks zeggen!’ De Zwaardvis boog het hoofd. De Burgemeester zag er geïrriteerd uit. Hij was zo mager als een ansjovis, met een droog, geel gezicht en grijs haar. Hij was zestig, net als de Dokter die hij al sinds zijn kindertijd kende, maar die zo groot en zo rond was als een ton. Kaal en rood. Zijn bovenlip ging schuil achter een dikke, zwartgeverfde snor. Het kostte hem moeite om weer op adem te komen. Hij droeg een linnen kostuum dat ooit elegant was geweest, maar waar nu gaten in zaten en dat bezaaid was met vlekken. De Burgemeester was gekleed in een vissersbroek. ‘Ik heb de Zwaardvis gezegd dat hij alleen jou mocht inlichten.’ ‘Ik zat met de Dokter aan dat klotedossier van de Thermen te werken! Ga je ons eindelijk vertellen wat er aan de hand is?’ ‘Laat ze zien.’ Amerigo begreep wat ze bedoelde. Hij boog voorover en haalde drie van de stenen weg die het zeil op zijn plaats hielden. De wind kroop eronder en gaf het zeil een zwangere buik. Op hetzelfde moment doken twee reusachtige, angstaanjagende zilvermeeuwen naar beneden. Ze scheerden over de hoofden, die in een reflex tussen de schouders werden getrokken, stegen meteen weer op en verdwenen in de wolken. Toen de Dokter de lichamen zag, raakte hij zijn eeuwige glimlach één seconde kwijt. De Burgemeester schold in het oude dialect, waarin het Spaanse en Griekse vocabulaire al meer dan duizend jaar door Arabische woorden wordt bestoven. Zijn voorhoofd verkreukelde tot talloze rimpels, een afspiegeling van de problemen die deze ontdekking veroorzaakten en waarvan de omvang tot hem doordrong. Maar het vreemdste, en eigenlijk het meest onwerkelijke, was dat er opeens een nieuwe stem klonk, een stem die aan geen van de aanwezigen toebehoorde, zodat ze allemaal een sprongetje maakten, alsof de Duivel opeens tussen ze in stond. In hun verwarde gedachten en het groeiende bewustzijn dat wat ze zagen geen nachtmerrie was, geen scène uit een film, geen item uit het journaal of pagina uit een thriller maar de natte realiteit van een septemberochtend, hadden ze geen van allen de voetstappen gehoord van de persoon die naar ze toe was komen lopen, die de stilte had doorgeprikt als een abces door drie keer achter elkaar ‘Mijn god’ te zeggen, met een zachte, ontstelde stem die iedereen de rillingen over het lijf joeg, zodat ze zich aan hem ergerden, want niemand houdt ervan om op heterdaad op angst of zwakte te worden betrapt. De herhaalde uitroep kwam van de Onderwijzer. Die de klas van de Oude Vrouw had overgenomen. Hij was niet van het eiland. Een vreemdeling dus. De Oude Vrouw mocht hem niet, maar ze mocht dan ook bijna niemand. Natuurlijk was het de hoogste tijd geweest dat ze het stokje zou doorgeven, maar toch beschouwde ze hem als een dief. Hij had haar baan gestolen. Haar leerlingen gestolen. Haar school gestolen. Ze haatte hem. Hij had een vrouw van wie werd gezegd dat ze verpleegster was. In het begin had ze werk gezocht, maar niemand had haar iets aangeboden. Toen had ze geprobeerd om in een bijgebouw van de school een verpleegpost te beginnen. Maar de eilandbewoners verzorgden zichzelf, en als het ernstig was, was er de Dokter. Uiteindelijk bleef ze thuis. Waar ze niets anders deed dan de dagen lang vinden. Het eiland werd haar dagelijkse sleur en verveling. Er werd gefluisterd dat ze verdorde als een vergeten plant in een hoek van de vensterbank, die bijna nooit besproeid wordt. Het echtpaar had twee dochters, een tweeling. Kleine, vrolijke, onbezorgde vogeltjes. Meisjes van tien die altijd samen waren en alleen met elkaar speelden. Die ochtend droeg de Onderwijzer een groene korte broek en een strak wit T-shirt met de reclameslogan van een telefoonprovider. Hij had sneakers aan. Hij had zijn kuiten en dijen geschoren, net als topsporters. Hij had een vrouwenhuid. Iedere ochtend ging hij een eind hardlopen, nam dan een douche en ging naar zijn werk. Hij had enkel oog voor de drie lijken, ook al keken de anderen alleen nog naar hem. ‘Wat voer jij hier uit?’ beet de Burgemeester hem toe. ‘Ik was aan het hardlopen. Ik zag Amerigo’s kar en ezel. En jullie in de verte. En het zeil. En toen dacht ik...’ ‘Wat dacht je?’ De toon van de Oude Vrouw was al even onaangenaam als die van de Burgemeester. ‘Dat er iets vreemds aan de hand was! Dat er iets ergs moest zijn gebeurd. Ik herkende de Dokter en meneer de Burgemeester en... mijn god!’ Hij verhulde niet dat hij van slag was – in tegenstelling tot de anderen, die dat ook waren maar liever dood neer zouden vallen dan er iets van te laten merken. Ondanks zijn grote, stevige lichaam, de kracht die uitging van zijn jeugd – hij was nog maar net dertig – zag hij er enorm kwetsbaar uit. Het lukte hem niet de kraan van zijn litanie dicht te draaien, waaruit de naam van God stroomde als een heldere waterstraal. De Oude Vrouw deed het voor hem. ‘Laat God hierbuiten.’ De Onderwijzer zweeg. Niemand zei nog iets. Het was vroeg. Nog maar net acht uur. Het wolkendek was nog verder gedaald en de beginnende dag verloor alweer wat licht. De wind van open zee duwde de golven tot aan de voeten van het kleine groepje, dat een paar passen achteruit deed om niet nat te worden. Opeens had iedereen het koud. De Onderwijzer klappertandde. De huid van zijn benen en armen leek op die van een geplukte kip. Alleen de drie lijken verroerden zich niet. Opnieuw nam de Burgemeester het woord. ‘We zijn met z’n zessen. Zes mensen weten hiervan. Zes mensen die hun mond gaan houden tot vanavond, wanneer we elkaar om negen uur zullen treffen op het stadhuis. Ondertussen ga ik bedenken wat ons te doen staat.’ ‘Wat ons te doen staat?’ vroeg de bibberende Onderwijzer verbaasd. ‘Stil!’ onderbrak de Burgemeester hem. ‘We hebben het er vanavond over. En als een van jullie hier in de tussentijd met iemand over praat, of als een van jullie vanavond niet komt opdagen, dan haal ik mijn geweer van de muur en reken ik met hem af.’ ‘Wat ga je met ze doen?’ vroeg de Oude Vrouw. ‘Dat is mijn probleem. Zwaardvis zal me helpen. Amerigo, jij laat je kar en ezel voor ons achter. De anderen kunnen gaan. Jij ook, Amerigo, we kunnen het wel met z’n tweeën af. Tot vanavond. En denk eraan dat ik een man van mijn woord ben!’ Ze gingen uit elkaar. De Oude Vrouw wandelde verder alsof er niets was gebeurd. De hond rende om haar heen. Hij was zo blij als alleen dieren kunnen zijn, die leven in het heden, niets weten van het verleden of van het leed en de problemen van de toekomst. De Oude Vrouw verdween in de verte. De Onderwijzer probeerde verder hard te lopen, maar de anderen zagen hem wankelen en uiteindelijk schijnbaar doelloos dwalen, als een automaat, waarbij hij vaak omkeek naar de lichamen van de drenkelingen. De Dokter ging met Amerigo naar zijn villa terwijl de Zwaardvis de ezel en de kar haalde. De Burgemeester zocht iets in zijn zakken. ‘Zoekt u iets, baas?’ ‘Een sigaret.’ ‘Ik dacht dat u gestopt was.’ ‘Gaat het jou wat aan als ik weer begin?’ ‘Wat ik zeg.’ ‘Geef me er eentje van jou.’ De Zwaardvis hield hem een pakje voor. De Burgemeester haalde er een sigaret uit. De Zwaardvis stak hem voor hem aan. De Burgemeester nam met zijn ogen dicht achter elkaar twee lange halen. De Zwaardvis aaide de ezel terwijl hij naar de drie lijken keek. ‘En nu, Baas?’ ‘Nu wat?’ ‘Wat gaat er nu gebeuren?’ De burgemeester haalde zijn schouders op. Hij spuugde op de grond. ‘Niks. Er gebeurt niks. Dit is een vergissing.’ ‘Een vergissing?’ ‘Over een paar weken zul je zeggen dat dit een droom was. En als je er tegen mij over begint, als je me ernaar vraagt, zal ik zeggen dat ik geen idee heb wat je bedoelt. Begrijp je?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Herinneringen kun je bewaren maar ook afraspen, als kaas voor in de soep. Zodat ze niet meer bestaan. Begrijp je me nu?’






Over Archipel van de hond

De Middellandse Zee. Een eilandengroep met wijngaarden en olijfbomen, bevolkt door een kleine vissersgemeenschap. Een geïsoleerde plek, weg van het lawaai van de wereld, tot op een dag een oude vrouw op het vulkanische strand drie lijken aantreft. Wie waren deze mensen? Wat moet er gebeuren met hun overblijfselen? Moet de waarheid onder ogen worden gezien of is het mogelijk dit mysterie te negeren?

Archipel van de hond is een roman over de wereld waarin wij leven. Het is net als Philippe Claudels geliefde romans Grijze zielen en Het verslag van Brodeck een tijdloze reflectie op de menselijke natuur en de keuzes die we maken.