Interview

Yoeri van den Busken over De andere kant van het succes: "Het is een papegaaienwereld."

De Andere Kant Van Succes Header

Na meer dan drie decennia stopte Yoeri van den Busken (1969) afgelopen oktober als fulltime voetbalverslaggever. De Beemsterling werkte bij De Telegraaf en Voetbal International, waar hij opviel met verhalen die breder waren dan de sport zelf. Deze maand komt zijn nieuwste boek De andere kant van het succes uit, een bundeling verhalen over tragedies in het voetbal. Joeri Zwarts interviewde hem in zijn stamcafé. Een gesprek over tragedie, voetbal en het schrijfproces. 

A82 Q5537 2 Kopie

Miste u een menselijke kant in de voetbalwereld?

Dat klinkt zwaar, maar ik snap wat je bedoelt. Als je bijvoorbeeld de opbouw naar een Europese finale kijkt zie je van die gelikte filmpjes. Mooie beelden, opzwepende muziek en een hoop clichés. Great game, a lot of respect – in het Engels zijn die clichés vaak nog veel erger. Dan denk ik: wat heeft hij nou eigenlijk gezegd? Met de sociale media wordt dat steeds erger. De voetbalwereld is heel erg van het uiterlijke vertoon. Dat zo’n Cristiano Ronaldo voor zijn huis, met zijn zoon op de foto gaat naast zijn twaalfde Bugatti, gaat er bij mij niet in. Die kickt daar dus zelf op. Ik zou zeggen, doe dat een onsje minder. Vind je het gek dat je voor verwende patser versleten wordt? Daar vraag je om. Maar iedereen doet het na. Het is een papegaaienwereld.

Wat was voor u de aanleiding om toch een boek over voetbal te schrijven?

Zo’n tien jaar geleden heb ik ook een boek gemaakt over tragedies. Dat boek bleef onder de radar, want de uitgeverij ging failliet. Afgelopen zomer kwam uitgeverij Just Publishers met de vraag of ik die verhalen wilde aanvullen. Ik ben de hoofdpersonen opnieuw gaan opzoeken om het nog meer uit te diepen en daarnaast heb ik nieuwe stukken geschreven: Abdelhak Nouri, David di Tommaso, Henk Houwaart, François Sterchele. 

Waarom tragedies?

Voetbaltragedies hebben mij altijd getroffen. Wat ik zo fascinerend vind is dat jij en ik gewone stervelingen zijn, en voetballers iconen. Maar wat we allemaal gemeen hebben is dat we vroeg of laat een keer geconfronteerd worden met ellende en verdriet. Wat doet dat met een beroemd iemand? Je valt van je voetstuk en wat dan? Een boeiend thema. Het sloot ook goed aan bij de manier waarop ik wilde werken; het verdiepende, het menselijke, het persoonlijke. Ik wilde op zoek gaan naar de menselijke verhalen achter de wandelende clichémachines die voetballers vaak zijn. Toen ik het eerste boek schreef was André Hazes net met alle toeters en bellen ten grave gedragen. Daardoor leerden wij in Nederland het fenomeen massarouw kennen. Toen David di Tommaso in 2005 overleed werd voor het eerst in Nederland een voetballer in een stadion herdacht. België had dat in 2008. Sinds Koning Boudewijn was er niet meer zoveel gedoe geweest rondom een sterfgeval als bij François Sterchele. Qua menselijke betrokkenheid, qua pers en qua aandacht was het uitzonderlijk. Die verhalen vertellen dus iets over de nieuwe tijd, namelijk dat er nu een soort collectiviteit heerst als er iets vreselijks gebeurt op sportgebied. 

"Ik wilde zorgen dat de mensen mij durfden te vertrouwen, dat ze het gevoel hadden dat ze iets bij me kwijt konden. De barrière van nieuws en de waan van de dag verviel."

U heeft gekozen om vanuit het perspectief van de overlevende te schrijven. Waarom heeft u daarvoor gekozen?

Ik kruip graag onder de huid van een persoon - in de goede zin van het woord. Dat kan je niet doen door vanuit de overledene te schrijven. Dus dan moet je degenen aan het woord laten die hem het best hebben gekend. Ik vond het interessant om steeds een andere invalshoek te nemen en door die nabestaande de overledene heel goed te leren kennen. En natuurlijk heb ik bij zware blessuregevallen de hoofdpersoon zelf gesproken. In alle gevallen heb ik daar wel werk van gemaakt. Dan komen er veel meer verhalen los dan dat je koffie gaat drinken en zegt: ‘We gaan eens even een uurtje praten.’

Vond u het niet moeilijk om over iemands meest pijnlijke herinnering te beginnen?

Ja, heel moeilijk.

Hoe heeft u dat dan toch aangepakt?

In eerste instantie heel goed voorbereiden. En dan niet met een kladblok voor mijn neus gaan zitten, want dan wordt het te formeel. Ik wilde zorgen dat de mensen mij durfden te vertrouwen, dat ze het gevoel hadden dat ze iets bij me kwijt konden. De barrière van nieuws en de waan van de dag verviel. Ik wilde niet scoren over de rug van een overleden iemand, ik wilde een zo zuiver mogelijk verhaal opschrijven over hoe iemand is geweest. Voor zo’n soort verhaal spreek ik nooit in een stadion af. Dat kan bijna niet. Ik zoek altijd een vertrouwelijke omgeving. Het liefst bij iemand thuis, waar nog foto’s zijn. Door te zien hoe mensen wonen en te zien wat voor relikwieën ze hebben komen er al verhalen los. Want die hebben ze niet voor niets. Mijn vader is overleden en hij was me zeer dierbaar, dus ook ik heb dingen in huis die aan hem herinneren. Daar heb ik een reden voor en dat hebben al die mensen.  Juist omdat de voetbalwereld zo bekend staat als clichéwereld wilde ik daarachter gaan zitten. Weg van dat decor. Bij de meeste verhalen kom je tot de voordeur, maar niet verder. Ik wilde erachter kijken. In het persoonlijke leven van die speler. Dat is best moeilijk, want je moet mensen van te voren overtuigen. Kennelijk heb ik de reputatie opgebouwd dat mensen dat wel wilden vertellen. En dan komen ook de meest idiote details tot je. Dat Henk Houwaart tegelijkertijd in hetzelfde ziekenhuis als zijn stervende zoon kwam te liggen, verzin je niet, maar dat is wel gebeurd.

Ook bij David di Tommaso was dat zo. De meeste mensen zullen denken: dat verhaal kennen we wel. Dan wordt Foeke Booy, Ricky Kruys, Sander Keller of Jan Willem van Dop weer gebeld. Dat heb ik dus niet willen doen. Ik kwam via een oud-collega in contact met de hartsvriendin van de vrouw van Di Tommaso. Zij heeft alles meegemaakt. Ze heeft aan het bed gestaan, zijn haar goed gedaan terwijl hij al dood was. Het grote publiek kent haar niet. Maar zij kon als geen ander het verhaal vertellen dat plaatsvond achter dat deurtje van wat we allemaal wisten.

"En er is nog iets wat het me heeft geleerd. Een harde les."

Zijn er verhalen waarbij het u niet gelukt is om dat goede deurtje te vinden?

Ja, ik had er nog twee op mijn lijst staan: Jordi Hoogstrate en Ron Willems. Hoogstrate hebben we bij Voetbal International ook weleens geprobeerd. Hij wil echt niet meer praten over die tijd. Willems is psychisch helemaal in de war geraakt. Die leeft nu een heel teruggetrokken bestaan. Ik vind het juist interessant om zo’n bestaan te schetsen. Hoe leeft zo iemand nu? Maar ik kwam erachter dat die mensen een solitair bestaan hebben verkozen boven een terugblik op wat is geweest. Zij weten dat als je belt, het daarover gaat. Toch had ik ze graag willen maken, omdat het iets anders toevoegde. Bij ieder hoofdstuk heb ik geprobeerd iets anders te doen. Bijvoorbeeld; de zelfmoord, het ongeluk, de beenbreuk, de hersenbloeding. Het psychische leed was iets aparts. Dat had ik graag willen duiden. 

Heeft al dat leed u op persoonlijk vlak iets geleerd? 

In ieder geval dat we allemaal aardse stervelingen zijn. Voor het grote publiek zijn voetballers vaak iconen. Hen overkomt niets. Onaantastbaar, onsterfelijk. Dat is ook een woord dat vaak in de journalistiek gebruikt wordt. ‘Hij maakte zich met één doelpunt onsterfelijk.’ Maar dat is natuurlijk niet zo. Als hij morgen met zijn Ferrari tegen een boom rijdt is het ook klaar. We maken hetzelfde mee, alleen onze status is anders. Voor voetballers is het, denk ik, moeilijker dan voor ons. Wij kunnen ons twee maanden ziek melden als je een kind verliest. En dan heb je een werkgever die dat allemaal begrijpt. Maar als je voetballer bent wordt er van je verwacht dat je twee weken na de begrafenis van je kind de pollen uit de grond loopt. Als Alfred Schreuder een bal verspeelde werd hij weer uitgefloten. En er is nog iets wat het me heeft geleerd. Een harde les. Ik ken Alfred Schreuder al heel lang. Zijn dochter overleed en dat was heel aangrijpend. Alle supportersgroepen hielpen elkaar. Die collectiviteit zag je nu ook bij Abdelhak Nouri. Er waren Feyenoord-supporters die zijn shirt droegen. Ik heb bewust de statements van Nico Dijkshoorn en Jan Mulder naar aanleiding van Nouri in het boek gezet. Het was een soort oproep om met z’n allen dit mooie joch, deze fijne voetballer, als voorbeeld te nemen van hoe we met elkaar zouden moeten omgaan. Wat ik een harde les vind is dat dat een dag later niet meer telt. Dat vind ik heel erg. Het heeft me geleerd dat we met zijn alle godvergeten hypocriet zijn.

Je ziet vaak dat mensen geboeid zijn door onderwerpen die zijzelf hebben meegemaakt. Is dit boek een uitvloeisel van veel persoonlijk leed?

Nou, het is wel zo dat ik op een gegeven moment merkte dat alles meezat in mijn leven. Ik zag prachtige dingen, reisde veel, kreeg een eerste kind, was getrouwd. Het was een fase waarin ik op een roze wolk zat. En in 2004 donderde ik daar met veel geraas vanaf. Ik verloor teveel vrienden en familieleden. Te jong ook. Zonder dat je iets kan doen. Het gebeurde gewoon. Ik stond machteloos. Liesbeth List zong ooit: ‘Machteloosheid is de grootste pijn.’ Dat herken ik wel. Je kan niets. Het doet zo’n zeer. 2004 was een soort kanteljaar. Daarna ben ik aan den lijve gaan ondervinden wat leed doet en hoe dat kan wortelen in je hoofd. Nadat ik dat had meegemaakt ben ik daar nog meer in geïnteresseerd geraakt.

"Iedereen had een zwak voor hem, iedereen dacht dat hij het ging maken."

Het boek is opgedragen aan Leon. Is dat één van die privéverhalen?

Leon is een bijzondere man. Ik heb hier vroeger in de Beemster gevoetbald. Ik werd gescout voor wat nu de jeugdopleiding van AZ is. Na een jaar heb ik de keus gemaakt om te stoppen en te gaan schrijven. Leon en zijn broertje zaten één lichting onder mij. Leon ging naar Volendam. Hij was een mooi braniemannetje die fantastisch kon voetballen. Iedereen had een zwak voor hem, iedereen dacht dat hij het ging maken.   Dit jaar ben ik jeugdvoetbaltrainer geworden in mijn dorp. In mijn groep zat opeens een heel goede linksbuiten. Hij was altijd met zijn moeder. Dus wij raakten aan de praat en toen bleek dat de linksbuiten het kind van Leon was. Leon is na een zwaar auto-ongeluk getroffen door een soort vermoeidheidsziekte. Hij kan geen enkele prikkel meer aan. Alles is al gauw te veel. Hij kan hier geen twee minuten praten. Hij leeft bijna in volledige afzondering. Daar kwam ik achter en dat raakte mij gigantisch. Want in zijn zoon zag ik hem.  

Heeft u contact met hem?

Eigenlijk hebben we een heel bijzondere relatie. Ik had hem lang niet gezien. Dan ontmoet je elkaar weer en blijkt hij in een isolement te leven. Jezus, dacht ik, zo kan een leven dus veranderen. Maar hij kan niet praten zoals wij, er kan geen kind bij hem spelen, hij kan niet naar een verjaardag. Hij vindt het bijzonder dat ik de trainer van zijn zoon ben en soms zie ik hem zitten, in alle afzondering in zijn rolstoel. Na een helft moet hij terug naar de auto, om te rusten. Toen heeft hij een keer een bericht gestuurd: ‘Ik zou zo graag een biertje met je aan de bar drinken en lekker over voetbal lullen.’ Toen heb ik gezegd: ‘Als je het niet kan zeggen, app het dan maar. Stuur me berichten, dan app ik je terug.’ Dus nu hebben wij al driekwart jaar een soort apprelatie. We praten over alles; over wat hem is overkomen, over onze zonen, over zijn tijd bij Volendam en mijn tijd bij AZ. In november is mijn vader aan Alzheimer overleden. Een heel vervelende ziekte. In die tijd moest ik de laatste vier verhalen van dit boek afmaken. In mijn moeilijkste fase kreeg ik het idee dat Leon symbool stond voor alle verhalen in het boek. We zijn allebei begonnen met voetballen omdat het zo fantastisch is om te doen. We zien elkaar terug in onze kinderen. En ik zie de pijn van een vader die niet met zijn zoon kan voetballen, terwijl hij mij dat wel wekelijks ziet doen. Dat grijpt me aan. Daarom wil ik dit boek aan hem opdragen, als een soort steun in de rug. Ik wil hem het gevoel geven dat hij niet de enige is die van de één op de andere dag is getroffen door iets levensveranderends.

Weet hij dat?

Nee. Hij weet wel van het project. Hij krijgt ook het eerste exemplaar, en dat weet hij ook nog niet. Zijn vrouw wel. Want het kan alleen als zij hem een keer meeneemt naar dit koffiehuis. Dan heb ik pakweg een minuut de tijd om hem dat boek te overhandigen. En dan laat ik hem weer alleen.

Wil je altijd op de hoogte zijn van de boeken binnen jouw favoriete genre? Stel je voorkeur in en ontvang updates.